Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Daniël 6
Daniël in de leeuwenkuil
Een wet die niet te veranderen is
Darius de Meder kreeg het koninkrijk.
Hij was toen ongeveer tweeënzestig jaar oud.
Hij was toen ongeveer tweeënzestig jaar oud.
Darius vond het goed om over het koninkrijk honderdtwintig stadhouders aan te stellen, verdeeld over heel het koninkrijk.
Boven hen stelde hij drie rijksbestuurders aan.
Daniël was de eerste van hen.
De stadhouders moesten aan hen verantwoording afleggen, zodat de koning geen schade zou lijden.
Daniël was de eerste van hen.
De stadhouders moesten aan hen verantwoording afleggen, zodat de koning geen schade zou lijden.
Daniël overtrof die bestuurders en stadhouders, want er was een bijzondere geest in hem.
De koning wilde hem over heel het koninkrijk aanstellen.
De koning wilde hem over heel het koninkrijk aanstellen.
Toen zochten de bestuurders en de stadhouders een aanleiding tegen Daniël in het bestuur.
Maar zij konden geen aanleiding en geen fout vinden, want hij was betrouwbaar.
Er werd geen nalatigheid of fout in hem gevonden.
Maar zij konden geen aanleiding en geen fout vinden, want hij was betrouwbaar.
Er werd geen nalatigheid of fout in hem gevonden.
Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen deze Daniël geen aanleiding vinden, behalve in de wet van zijn God.
Zo kwamen deze bestuurders en stadhouders in groten getale bij de koning.
Zij zeiden tegen hem: Koning Darius, leef voor altijd!
Zij zeiden tegen hem: Koning Darius, leef voor altijd!
Alle bestuurders van het rijk, de gouverneurs en stadhouders, de raadsheren en landvoogden hebben samen overlegd.
Er moet een koninklijk besluit komen met een streng verbod.
Wie in dertig dagen iets vraagt aan een god of mens, behalve aan u, koning, moet in de leeuwenkuil gegooid worden.
Er moet een koninklijk besluit komen met een streng verbod.
Wie in dertig dagen iets vraagt aan een god of mens, behalve aan u, koning, moet in de leeuwenkuil gegooid worden.
Koning, bekrachtig dat verbod en onderteken het document.
Dan kan het niet veranderd worden, volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet ingetrokken mag worden.
Dan kan het niet veranderd worden, volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet ingetrokken mag worden.
Daarom ondertekende koning Darius dat document met het verbod.
Toen Daniël hoorde dat het document ondertekend was, ging hij naar zijn huis.
In zijn bovenkamer stonden de vensters open in de richting van Jeruzalem.
Drie keer per dag knielde hij neer, bad hij en dankte hij zijn God, precies zoals hij daarvoor ook gedaan had.
In zijn bovenkamer stonden de vensters open in de richting van Jeruzalem.
Drie keer per dag knielde hij neer, bad hij en dankte hij zijn God, precies zoals hij daarvoor ook gedaan had.
Toen kwamen die mannen in groten getale.
Zij vonden Daniël biddend en smekend bij zijn God.
Zij vonden Daniël biddend en smekend bij zijn God.
Zij gingen naar de koning en spraken hem aan over het koninklijke verbod.
Hebt u geen verbod ondertekend, koning?
Wie in dertig dagen iets vraagt aan een god of mens, behalve aan u, wordt in de leeuwenkuil gegooid.
De koning antwoordde: Dat staat vast, volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet ingetrokken mag worden.
Hebt u geen verbod ondertekend, koning?
Wie in dertig dagen iets vraagt aan een god of mens, behalve aan u, wordt in de leeuwenkuil gegooid.
De koning antwoordde: Dat staat vast, volgens de wet van de Meden en de Perzen, die niet ingetrokken mag worden.
Toen zeiden zij tegen de koning: Daniël is een van de ballingen uit Juda.
Hij let niet op u, koning, en niet op het verbod dat u ondertekend hebt.
Drie keer per dag zegt hij zijn gebed.
Hij let niet op u, koning, en niet op het verbod dat u ondertekend hebt.
Drie keer per dag zegt hij zijn gebed.
In de kuil gegooid
Toen de koning dit hoorde, werd hij heel verdrietig.
Hij zette zijn hart erop om Daniël te redden.
Tot zonsondergang deed hij zijn best om hem te redden.
Hij zette zijn hart erop om Daniël te redden.
Tot zonsondergang deed hij zijn best om hem te redden.
Toen kwamen die mannen in groten getale bij de koning.
Zij zeiden tegen hem: Weet, koning, dat het bij de Meden en de Perzen wet is.
Geen verbod en geen besluit van de koning mag veranderd worden.
Zij zeiden tegen hem: Weet, koning, dat het bij de Meden en de Perzen wet is.
Geen verbod en geen besluit van de koning mag veranderd worden.
Toen gaf de koning bevel.
Men haalde Daniël en gooide hem in de leeuwenkuil.
De koning zei tegen Daniël: Moge uw God, die u steeds dient, u redden.
Men haalde Daniël en gooide hem in de leeuwenkuil.
De koning zei tegen Daniël: Moge uw God, die u steeds dient, u redden.
Er werd een steen gehaald en op de opening van de kuil gelegd.
De koning verzegelde die met zijn ring en met de ring van zijn hovelingen.
Zo kon er aan het lot van Daniël niets veranderd worden.
De koning verzegelde die met zijn ring en met de ring van zijn hovelingen.
Zo kon er aan het lot van Daniël niets veranderd worden.
Toen ging de koning naar zijn paleis.
Hij bracht de nacht door zonder te eten en liet geen muziek voor zich spelen.
De slaap bleef ver van hem.
Hij bracht de nacht door zonder te eten en liet geen muziek voor zich spelen.
De slaap bleef ver van hem.
In de vroege morgen stond de koning op bij het eerste licht.
Hij ging haastig naar de leeuwenkuil.
Hij ging haastig naar de leeuwenkuil.
Toen hij bij de kuil kwam, riep hij Daniël met bedroefde stem.
De koning zei tegen Daniël: Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u steeds dient, u van de leeuwen kunnen redden?
De koning zei tegen Daniël: Daniël, dienaar van de levende God, heeft uw God, die u steeds dient, u van de leeuwen kunnen redden?
Toen zei Daniël tegen de koning: Koning, leef voor altijd!
Mijn God heeft Zijn engel gestuurd en de muil van de leeuwen dichtgehouden.
Zij hebben mij geen kwaad gedaan, want voor Hem ben ik onschuldig.
Ook tegen u, koning, heb ik niets misdaan.
Zij hebben mij geen kwaad gedaan, want voor Hem ben ik onschuldig.
Ook tegen u, koning, heb ik niets misdaan.
Toen werd de koning heel blij.
Hij beval dat men Daniël uit de kuil moest halen.
Toen Daniël uit de kuil getrokken was, bleek er geen enkele wond aan hem te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd.
Hij beval dat men Daniël uit de kuil moest halen.
Toen Daniël uit de kuil getrokken was, bleek er geen enkele wond aan hem te zijn, want hij had op zijn God vertrouwd.
De koning schrijft aan alle volken
Toen gaf de koning bevel.
Men haalde de mannen die Daniël beschuldigd hadden, en men gooide hen in de leeuwenkuil, met hun kinderen en hun vrouwen.
Zij raakten de bodem van de kuil nog niet of de leeuwen overweldigden hen en verbrijzelden al hun botten.
Men haalde de mannen die Daniël beschuldigd hadden, en men gooide hen in de leeuwenkuil, met hun kinderen en hun vrouwen.
Zij raakten de bodem van de kuil nog niet of de leeuwen overweldigden hen en verbrijzelden al hun botten.
Toen schreef koning Darius aan alle volken, naties en talen die op heel de aarde woonden: veel vrede voor jullie!
Ik geef het bevel dat men in heel mijn rijk moet beven en sidderen voor de God van Daniël.
Want Hij is de levende God en Hij blijft in eeuwigheid.
Zijn koninkrijk gaat nooit ten onder en Zijn heerschappij duurt tot het einde.
Want Hij is de levende God en Hij blijft in eeuwigheid.
Zijn koninkrijk gaat nooit ten onder en Zijn heerschappij duurt tot het einde.
Hij redt en Hij bevrijdt.
Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde.
Hij heeft Daniël gered uit de macht van de leeuwen.
Hij doet tekenen en wonderen in de hemel en op de aarde.
Hij heeft Daniël gered uit de macht van de leeuwen.
Het ging deze Daniël goed in het koninkrijk van Darius en in het koninkrijk van Kores de Pers.