Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

4 Ezra 1

De aanklacht tegen het volk

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Wie Ezra was
Dit is het tweede boek van de profeet Ezra, de zoon van Baraja, de zoon van Azaria, de zoon van Chelkia, de zoon van Sadania, de zoon van Zadok, de zoon van Ahitob,
de zoon van Amaria, de zoon van Hasaria, de zoon van Merasoth, de zoon van Sarchia, de zoon van Hazzi, de zoon van Bukki, de zoon van Abisua, de zoon van Pinehas, de zoon van Eleazar,
de zoon van Aäron, uit de stam Levi.
Deze Ezra was gevangene in het land van de Meden, onder de regering van Artaxerxes, de koning van Perzië.
Ga en vertel mijn volk wat zij gedaan hebben
Het woord van de Heere kwam tot mij.
Hij zei:
Ga en vertel mijn volk wat zij verkeerd gedaan hebben, en vertel hun kinderen waarin zij tegen mij zijn misgegaan, zodat zij het aan hun kleinkinderen doorvertellen.
Want de zonden van hun voorouders zijn in hen gegroeid.
Zij zijn mij vergeten en hebben aan andere goden geofferd.

Heb ik hen niet uit Egypte geleid, uit het huis van de slavernij?
Toch hebben zij mij boos gemaakt en mijn raad veracht.

Schud jij het haar van je hoofd af en werp al het kwaad op hen terug, want zij zijn mijn wet niet gehoorzaam geweest.
Het is een volk dat zich niet laat terechtwijzen.

Hoe lang zal ik hen nog verdragen, terwijl ik zo veel goeds voor hen gedaan heb?
Om hen heb ik veel koningen uitgeroeid.
Ik heb de farao verslagen, met zijn dienaren en heel zijn leger.

Ik heb alle volken voor hen uit weggevaagd.
In het oosten heb ik de volken van twee gebieden verstrooid, van Tyrus en van Sidon, en al hun vijanden heb ik omgebracht.

Ik heb jullie alles gegeven
Zeg jij dan tegen hen: dit zegt de Heere.
Ik heb jullie door de zee geleid en vanaf het begin veilige wegen voor jullie gemaakt.
Mozes heb ik jullie als leider gegeven en Aäron als priester.

Ik heb jullie licht gegeven door een vuurkolom en grote wonderen onder jullie gedaan.
Maar jullie zijn mij vergeten, zegt de Heere.

Dit zegt de almachtige Heere: de kwartel was voor jullie een teken.
Ik gaf jullie een kamp als bescherming, en daar hebben jullie geklaagd.

Jullie hebben niet in mijn naam gejuicht toen jullie vijanden verslagen werden, maar tot op vandaag klagen jullie.
Waar is het goede gebleven dat ik voor jullie gedaan heb?
Hebben jullie niet in de woestijn tot mij geroepen toen jullie honger hadden?
Jullie zeiden:
Waarom hebt u ons naar deze woestijn gebracht om ons te doden?
Het was beter geweest de Egyptenaren te dienen dan in deze woestijn te sterven.

Toen had ik medelijden met jullie klagen en gaf ik jullie manna te eten.
Jullie hebben brood van engelen gegeten.

Heb ik niet de rots opengehakt toen jullie dorst hadden, zodat er water uit stroomde tot jullie genoeg hadden?
Tegen de hitte heb ik jullie beschut met bladeren van bomen.

Ik heb vruchtbaar land onder jullie verdeeld.
De Kanaänieten, de Ferezieten en de Filistijnen heb ik voor jullie uit verdreven.
Wat zou ik nog meer kunnen doen?
zegt de Heere.

Dit zegt de almachtige Heere: toen jullie in de woestijn waren, bij de rivier van de Amorieten, en dorst hadden en mijn naam vervloekten,
heb ik jullie geen vuur gestuurd om die vloek, maar ik legde hout in het water, zodat het water zoet werd.
Jullie hebben mij verlaten
Wat zal ik met je doen, Jakob?
Je hebt niet willen luisteren, Juda.
Ik zal mij tot andere volken keren en hun mijn naam geven, zodat zij mijn regels houden.

Omdat jullie mij verlaten hebben, zal ik jullie ook verlaten.
Als jullie genade van mij vragen, zal ik jullie niet genadig zijn.

Als jullie mij aanroepen, zal ik niet luisteren, want jullie handen zitten onder het bloed en jullie voeten rennen om te moorden.
Jullie hebben niet mij verlaten, maar jezelf, zegt de Heere.
Dit zegt de almachtige Heere: heb ik jullie niet gesmeekt als een vader zijn zonen, als een moeder haar dochters en als een verzorgster haar kleine kinderen,
dat jullie mijn volk zouden zijn en ik jullie God, dat jullie mijn kinderen zouden zijn en ik jullie vader?
Ik heb jullie bijeengebracht zoals een kip haar kuikens onder haar vleugels verzamelt.
En nu, wat zal ik met jullie doen?
Ik zal jullie van mij wegsturen.

Als jullie mij offers brengen, zal ik mijn gezicht van jullie afwenden, want jullie feestdagen, nieuwe manen en besnijdenissen heb ik afgewezen.
Ik heb mijn dienaren de profeten naar jullie gestuurd, en jullie hebben hen gegrepen en gedood en hun lichamen verscheurd.
Hun bloed zal ik van jullie opeisen, zegt de Heere.

Een ander volk zal komen
Dit zegt de almachtige Heere: jullie huis is verlaten.
Ik zal jullie wegblazen zoals de wind het kaf.

Jullie kinderen zullen geen nakomelingen krijgen, want zij hebben mijn gebod niet geteld en gedaan wat kwaad is in mijn ogen.
Ik zal jullie huizen geven aan een volk dat nog komen moet.
Wie mij niet gehoord hebben, zullen geloven, en wie ik geen tekenen getoond heb, zullen doen wat ik bevolen heb.

Zij hebben geen profeten gezien, en toch zullen zij hun zonden erkennen.
Ik roep de genade op van het volk dat komt.
Hun kleine kinderen springen van blijdschap.
Zij zien mij niet met hun ogen, maar in hun geest geloven zij wat ik gezegd heb.

En nu, broeder, kijk naar deze heerlijkheid, en zie het volk dat uit het oosten aankomt.
Aan hen zal ik als leiders geven: Abraham, Izaäk en Jakob, en Hosea, Amos, Micha, Joël, Obadja en Jona,
en Nahum, Habakuk, Zefanja, Haggai, Zacharia en Maleachi, die ook de engel van de Heere genoemd wordt.

Download hoofdstuk als tekstbestand