Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

3 Ezra 9

De wet wordt voorgelezen

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Iedereen moet naar Jeruzalem komen
Ezra stond op van het tempelplein en ging naar de kamer van Joannan, de zoon van Eliasib.
Hij bleef daar en at geen brood en dronk geen water, bedroefd om de grote overtredingen van de menigte.
In heel Judea en Jeruzalem werd aan allen die uit de ballingschap waren, bekendgemaakt dat zij in Jeruzalem bijeen moesten komen,
en dat van wie binnen twee of drie dagen niet zouden komen, naar het oordeel van de oudste leiders hun vee verbeurd verklaard zou worden en dat zij zelf afgesneden zouden worden van de gemeenschap van de ballingen.
Allen die uit de stammen Juda en Benjamin waren, kwamen binnen drie dagen bijeen in Jeruzalem.
Dat was de negende maand, op de twintigste dag van de maand.
Heel de menigte zat op het grote plein van de tempel, bevend van de kou vanwege de naderende winter.
Scheid je van de vreemde vrouwen
Ezra stond op en zei tegen hen: Jullie hebben onrecht gedaan en vreemde vrouwen getrouwd, en zo schuld op Israël gelegd.
Maar erken het nu en geef eer aan de Heere, de God van onze voorouders,
en doe Zijn wil en scheid je af van de volken van dit land en van de vreemde vrouwen.
Toen riep heel de menigte en zei met luide stem: Wij zullen doen zoals u gezegd hebt.
Maar de menigte is groot en het is winter, en wij kunnen niet in de open lucht blijven staan.
Dit is geen werk van een dag of twee, want wij hebben hierin veel gezondigd.

Laat daarom de voorgangers van de menigte blijven staan, en allen van onze inwoners die vreemde vrouwen hebben.
Laat zij hierheen komen en er de tijd voor nemen, met de oudsten en de rechters van elke plaats, totdat de toorn van de Heere om dit gebod van ons is weggenomen.
Toen namen Jonathan, de zoon van Azaël, en Hizkia, de zoon van Theokan, dit volgens deze afspraak op zich, en Mesullam, Levis en Sabbateüs waren hun mederechters.
En wie uit de ballingschap waren, volgden hen hierin na.
Ezra de priester koos voor zichzelf de voornaamste mannen van hun families uit, allen bij name.
Bij de nieuwe maan van de tiende maand gingen zij zitten om deze zaken te onderzoeken.
Het werd afgerond, wat de mannen betreft die vreemde vrouwen hadden, bij de nieuwe maan van de eerste maand.
De lijst van wie het betrof
Onder de priesters werden er gevonden die vreemde vrouwen hadden genomen.
Uit de zonen van Jozua, de zoon van Josedek, en zijn broeders: Nathelas, Eleazar, Joreb en Joadan.
Zij beloofden met handslag dat zij hun vrouwen zouden wegsturen en dat zij rammen zouden offeren ter verzoening van hun misdaden.
En uit de zonen van Immer: Ananias, Zabdeüs, Manes, Lameös, Hereël en Azarias.
En uit de zonen van Pashur: Elionaïs, Massias, Ismaël, Nathaneël, Okodel en Saloas.
En uit de Levieten: Josabad, Semeïs, Kovis, dat is Kalitas, Patheüs, Judas en Jonas.
Uit de heilige zangers: Eliaseb en Bacchurus.
Uit de poortwachters: Salum en Telbanes.
Uit de Israëlieten, uit de zonen van Parosch: Hiermas, Jezias, Melchias, Maël, Eleazar, Asebias en Baneas.
Uit de zonen van Ela: Mathanias, Zacharias, Jezriël, Joabdi, Jeromoth en Aidias.
En uit de zonen van Zamoth: Eliazim, Othonias, Jarimoth, Labath en Zeralias.
En uit de zonen van Bebai: Joannes, Ananias, Josabdus en Amathias.
En uit de zonen van Mani: Olam, Manuch, Jedar, Jasub, Jasaël en Hieremoth.
En uit de zonen van Addi: Naäth, Moosias, Lacrum, Naïd, Matthanias, Sesthel, Balim en Manassias.
En uit de zonen van Anan: Elionas, Asajas, Melchias, Sabbeüs en Simon Chosameüs.
En uit de zonen van Asom: Altaneüs, Matthatias, Sabbaneüs, Elifalat, Manasses en Semeï.
En uit de zonen van Baäni: Hieremias, Momdi, Ismaër, Juël, Mabdaï, Pedias, Anos, Rabasion, Enasis, Mammitanem, Eliasis, Bannus, Eliali, Sameïs, Selemias en Nathanius.
En uit de zonen van Ezora: Sesis, Esril, Azaël, Samatus, Zamvre en Jozef.
En uit de zonen van Ethma: Mazitias, Zabada, Edaïs, Juhel en Baneas.
Zij allen hadden vreemde vrouwen getrouwd, en zij stuurden hen weg met hun kinderen.
Ezra leest de wet voor
De priesters, de Levieten en de anderen uit Israël vestigden zich in Jeruzalem en in het land, bij de nieuwe maan van de zevende maand, en de Israëlieten waren in hun woonplaatsen.
Heel de menigte kwam eendrachtig samen op het grote plein voor de heilige poort op het oosten.
Zij zeiden tegen Ezra, de priester en leraar van de wet, dat hij de wet van Mozes moest halen, die door de Heere, de God van Israël, gegeven was.
Ezra, de hogepriester, bracht de wet voor heel de menigte, van mannen en vrouwen, en voor alle priesters om de wet te horen, bij de nieuwe maan van de zevende maand.
Hij las die voor op het grote plein voor de heilige poort, van de ochtend tot de middag, waar mannen en vrouwen bij waren.
En heel de menigte richtte haar aandacht op de wet.
Ezra, de priester en leraar van de wet, stond op een verhoogde houten katheder die daarvoor gemaakt was.
Bij hem stonden aan de rechterkant Matthatias, Sammus, Ananias, Azarias, Urias, Ezekias en Baälsamus,
en aan de linkerkant Chaldeüs, Misaël, Melchias, Haothasufus, Nabarias en Zacharias.
Ezra nam het boek op voor de menigte en zat luisterrijk voor het oog van allen.
Toen hij de wet uitlegde, gingen zij rechtop staan.
En Ezra prees de Heere, de allerhoogste God, de God van de legermachten, de Almachtige.
En heel het volk antwoordde daarop: Amen!
En zij hieven hun handen omhoog, vielen op de grond en aanbaden de Heere.
Jozua, Anniuth, Sarabias, Jadin, Jakobus, Sabateas, Anteüs, Majannus, Kalitas, Azarias, Jozabdus en Ananias, de Levieten, onderwezen de wet van de Heere.
En zij lazen de wet van de Heere voor aan de menigte, en verhieven hun stem bij het lezen.
Deze dag is heilig voor de Heere
En Attaratas zei tegen Ezra, de hogepriester en leraar, en tegen de Levieten die het volk onderwezen:
Deze dag is heilig voor de Heere.
En zij huilden allemaal toen zij de wet hoorden.
Ga dan heen, eet het vette en drink het zoete, en stuur geschenken aan wie niets hebben.
Want deze dag is heilig voor de Heere.
Wees niet bedroefd, want de Heere zal jullie eer geven.

En de Levieten droegen heel het volk op: Deze dag is heilig.
Wees niet bedroefd.

En zij gingen allemaal weg om te eten en te drinken en vrolijk te zijn, en om geschenken te geven aan wie niets hadden, en om uitbundig feest te vieren,
omdat zij onderwezen waren in het woord dat hun geleerd was en waarvoor zij bijeengekomen waren.

Download hoofdstuk als tekstbestand