Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

4 Ezra 2

De moeder en haar kinderen

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Ga weg, kinderen
Dit zegt de Heere: ik heb dit volk uit de slavernij geleid.
Ik heb hun bevelen gegeven door mijn dienaren de profeten, maar zij hebben niet willen luisteren en mijn raad tenietgedaan.

De moeder die hen gebaard heeft, zegt tegen hen: Ga weg, kinderen, want ik ben een weduwe en in de steek gelaten.
Met vreugde heb ik jullie grootgebracht, en met rouw en verdriet ben ik jullie kwijtgeraakt.
Want jullie hebben gezondigd voor de Heere, jullie God, en gedaan wat kwaad is in Zijn ogen.

En nu, wat zal ik met jullie doen?
Ik ben een weduwe en in de steek gelaten.
Ga weg, kinderen, en vraag de Heere om ontferming.

En U, Vader, roep ik als getuige aan tegen de moeder van deze kinderen, omdat zij mijn verbond niet hebben willen houden.
Breng hen te schande en geef hun moeder prijs aan de rovers, zodat er geen nakomelingen meer van hen komen.
Laat hun namen verstrooid worden onder de volken.
Laat hen van de aarde verdwijnen, want zij hebben mijn eed veracht.

Wee jou, Assur, die de schuldigen bij je verbergt.
Slecht volk, denk aan wat ik met Sodom en Gomorra gedaan heb.

Hun land ligt vol pekklonten en ashopen.
Zo zal ik doen met wie niet naar mij geluisterd hebben, zegt de Heere, de Almachtige.

Ik geef hun het koninkrijk
Dit zegt de Heere tegen Ezra: vertel mijn volk dat ik hun het koninkrijk Jeruzalem zal geven, dat ik aan Israël zou geven.
En ik zal hun heerlijkheid naar mij toe nemen en hun de eeuwige tenten geven die ik voor de anderen klaargemaakt had.
De boom van het leven zal voor hen een geurige zalf zijn.
Zij zullen niet zwoegen en niet moe worden.

Ga, dan zullen jullie het ontvangen.
Bid dat het nog maar weinig dagen duurt.
Het koninkrijk is nu voor jullie klaar.
Blijf wakker.

Roep hemel en aarde als getuige.
Want het kwade heb ik gebroken en het goede heb ik gemaakt.
Zo waar ik leef, zegt de Heere.

Moeder, sla je armen om je kinderen heen.
Voed hen op met blijdschap als een duif.
Zet hun voeten vast, want ik heb je uitgekozen, zegt de Heere.

En ik zal de doden opwekken uit hun plaatsen en hen uit de graven tevoorschijn halen, want ik heb mijn naam bekendgemaakt in Israël.
Wees niet bang, moeder van deze kinderen, want ik heb je uitgekozen, zegt de Heere.
Ik zal mijn dienaren Jesaja en Jeremia naar je toe sturen om je te helpen.
Op hun raad heb ik voor jou twaalf bomen geheiligd en klaargemaakt, geladen met allerlei vruchten,
en evenveel bronnen die melk en honing laten stromen, en zeven grote bergen met rozen en lelies, waarmee ik je kinderen met blijdschap zal vervullen.
Wat de moeder moet doen
Doe recht aan de weduwen.
Geef de wezen hun recht.
Geef aan wie arm zijn.
Bescherm wie in de steek gelaten zijn.
Kleed wie naakt zijn.

Genees wie gewond of ziek zijn.
Lach wie kreupel is niet uit.
Bescherm wie verlamd is.
En laat wie blind is komen om mijn helderheid te zien.

Houd oud en jong veilig binnen je muren.
Waar je doden vindt, geef ze een teken en begraaf ze.
Dan zal ik je de eerste plaats geven bij mijn opstanding.

Wees stil en houd op, mijn volk, want je rust komt eraan.
Goede verzorgster, breng je kinderen groot en maak hun voeten sterk.
Van de dienaren die ik je gegeven heb, zal er niet één omkomen, want ik zal hen van jou opeisen.
Maak je geen zorgen.
Want als de dag van angst en nood komt, zullen anderen huilen en verdrietig zijn, maar jij zult blij zijn en overvloed hebben.

De volken zullen jaloers zijn, maar zij zullen niets tegen je kunnen beginnen, zegt de Heere.
Mijn handen zullen je bedekken, zodat je kinderen het dodenrijk niet zien.
Wees blij, moeder, met je kinderen, want ik zal je redden, zegt de Heere.
Denk aan je kinderen die slapen, want ik zal hen uit de diepten van de aarde tevoorschijn halen en ik zal hun ontferming bewijzen, omdat ik barmhartig ben, zegt de Heere, de Almachtige.
Sla je armen om je kinderen heen totdat ik kom en hun ontferming bewijs, want mijn bronnen stromen over en mijn genade zal niet ophouden.
Ezra spreekt de volken aan
Ik, Ezra, heb van de Heere op de berg Horeb bevel gekregen om naar Israël te gaan.
Maar toen ik bij hen kwam, wezen zij mij af en verwierpen zij het bevel van de Heere.
Daarom zeg ik tegen jullie, volken, die dit horen en begrijpen: Verwacht jullie Herder.
Hij zal jullie eeuwige rust geven, want Hij is dichtbij, Hij die aan het einde van de wereld zal komen.

Wees klaar voor de beloning van het koninkrijk, want een licht dat nooit uitgaat zal over jullie schijnen, voor altijd.
Vlucht weg uit de schaduw van deze wereld.
Neem de vreugde van jullie heerlijkheid aan.
Ik zeg dit openlijk, voor mijn Redder.

Neem de gave aan die jullie wordt aangeboden en wees blij.
Dank Hem die jullie tot het hemelse koninkrijk geroepen heeft.

Sta op en kijk naar het aantal van wie getekend zijn voor de maaltijd van de Heere.
Wie uit de schaduw van deze wereld zijn overgegaan, hebben prachtige kleren van de Heere gekregen.
Sion, neem je aantal op en sluit in je muren wie in het wit gekleed zijn, die de wet van de Heere hebben volbracht.
Het aantal van je kinderen naar wie je verlangd hebt, is vol.
Vraag de majesteit van de Heere of jouw volk geheiligd wordt, het volk dat vanaf het begin geroepen is.

De menigte op de berg Sion
Ik, Ezra, zag op de berg Sion een grote menigte die ik niet kon tellen, en zij prezen allemaal de Heere met liederen.
In hun midden stond een jongeman, groter dan zij allen.
Hij zette ieder van hen een kroon op het hoofd, en hij stak steeds verder boven hen uit.
Ik was daar heel verwonderd over.
Toen vroeg ik de engel: Wie zijn deze mensen, heer?
Hij antwoordde mij: Dit zijn zij die het sterfelijke kleed hebben uitgedaan en het onsterfelijke hebben aangetrokken.
Zij hebben de naam van God beleden.
Nu worden zij gekroond en krijgen zij palmtakken.

En ik zei tegen de engel: Wie is de jongeman die hun de kronen opzet en hun palmtakken in de handen geeft?
Hij antwoordde mij: Het is de Zoon van God, die zij in de wereld beleden hebben.
Toen begon ik hen hoog te prijzen, omdat zij zo moedig voor de naam van de Heere gestaan hadden.
Toen zei de engel tegen mij: Ga en vertel mijn volk wat voor grote wonderen van God je gezien hebt.

Download hoofdstuk als tekstbestand