Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Samuel 16

Ziba en Simeï; Absalom in Jeruzalem

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Ziba komt David tegemoet
Toen David een eindje voorbij de top was, kwam Ziba, de dienaar van Mefiboseth, hem tegemoet.
Hij had twee gezadelde ezels bij zich, beladen met 200 broden, honderd rozijnenkoeken, honderd zomervruchten en een zak wijn.
De koning vroeg Ziba: Wat wil je daarmee?
Ziba zei: De ezels zijn voor de familie van de koning om op te rijden.
Het brood en de zomervruchten zijn voor de jonge mannen om te eten.
De wijn is om te drinken voor wie in de woestijn uitgeput raakt.

De koning vroeg: Waar is dan de kleinzoon van je heer?
Ziba zei tegen de koning: Kijk, hij is in Jeruzalem gebleven.
Want hij zei: Vandaag geeft het huis van Israël mij het koningschap van mijn grootvader terug.

Toen zei de koning tegen Ziba: Kijk, alles wat van Mefiboseth is, is nu van jou.
Ziba zei: Ik buig mij neer.
Laat mij genade vinden in uw ogen, mijn heer de koning!

Simeï vervloekt David
Toen koning David bij Bahurim kwam, kwam daar een man naar buiten uit de familie van Saul.
Hij heette Simeï, de zoon van Gera.
Hij liep al vloekend verder.
Hij gooide met stenen naar David en naar alle dienaren van koning David.
Toch liepen het hele volk en alle helden rechts en links van hem.
Simeï vloekte: Weg, weg, jij bloeddorstige man, jij nietsnut!
De HEERE laat al het bloed van de familie van Saul op je terugkomen, in wiens plaats je koning bent geworden.
Nu heeft de HEERE het koningschap aan je zoon Absalom gegeven.
Kijk, nu zit je in het ongeluk, want je bent een bloeddorstige man.

Toen zei Abisai, de zoon van Zeruja, tegen de koning: Waarom mag die dode hond mijn heer de koning vervloeken?
Laat mij oversteken en zijn hoofd afhakken.

Maar de koning zei: Wat heb ik met jullie te maken, zonen van Zeruja?
Laat hem vloeken.
Want de HEERE heeft tegen hem gezegd: Vervloek David.
Wie mag dan zeggen: Waarom doe je dat?

David zei tegen Abisai en tegen al zijn dienaren: Kijk, mijn eigen zoon, die uit mij geboren is, staat mij naar het leven.
Hoeveel te meer dan deze Benjaminiet!
Laat hem maar vloeken, want de HEERE heeft het hem opgedragen.

Misschien ziet de HEERE mijn ellende aan.
Misschien geeft de HEERE mij vandaag iets goeds terug voor zijn vloek.

Zo trokken David en zijn mannen verder over de weg.
Simeï liep langs de berghelling naast hem.
Hij bleef vloeken, gooide met stenen naar hem en wierp stof op.
De koning kwam met al het volk dat bij hem was, uitgeput aan.
Daar rustte hij uit.
Husai en Achitofel bij Absalom
Absalom en al het volk, de mannen van Israël, kwamen in Jeruzalem, en Achitofel was bij hem.
Toen Husai, de Archiet, de vriend van David, bij Absalom kwam, zei Husai tegen Absalom: Leve de koning, leve de koning!
Maar Absalom zei tegen Husai: Is dit je trouw aan je vriend?
Waarom ben je niet met je vriend meegegaan?

Husai zei tegen Absalom: Nee, wie de HEERE en dit volk en alle mannen van Israël gekozen hebben, van hem wil ik zijn.
Bij hem wil ik blijven.

En bovendien, wie zou ik anders dienen?
Toch zijn zoon?
Zoals ik uw vader gediend heb, zo zal ik u dienen.

Toen zei Absalom tegen Achitofel: Overleg samen en geef raad.
Wat moeten wij doen?

Achitofel zei tegen Absalom: Slaap met de bijvrouwen van uw vader, die hij heeft achtergelaten om op het paleis te passen.
Dan hoort heel Israël dat u zich bij uw vader gehaat hebt gemaakt.
Dan worden allen die u steunen, versterkt.

Toen zetten zij voor Absalom een tent op het dak.
En Absalom sliep met de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van heel Israël.
In die tijd gold de raad van Achitofel alsof men God om raad had gevraagd.
Zo gold alle raad van Achitofel, zowel bij David als bij Absalom.

Download hoofdstuk als tekstbestand