Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Samuel 15

De opstand van Absalom

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Absalom steelt het hart van Israël
Daarna schafte Absalom zich wagens en paarden aan, en vijftig mannen die voor hem uit renden.
Absalom stond 's morgens vroeg op en ging langs de weg naar de poort staan.
Iedereen die met een rechtszaak naar de koning ging, riep Absalom bij zich.
Hij vroeg: Uit welke stad kom je?
Dan zei de man: Uw dienaar komt uit een van de stammen van Israël.
Dan zei Absalom tegen hem: Kijk, je zaak is goed en terecht.
Maar er is bij de koning niemand die naar je luistert.

Absalom zei ook: Was ik maar rechter in het land!
Dan kon iedereen met een geschil of rechtszaak bij mij komen, en zou ik hem recht verschaffen.

Als iemand naar hem toe kwam om zich voor hem neer te buigen, stak hij zijn hand uit, pakte hem vast en kuste hem.
Zo deed Absalom met heel Israël, met iedereen die voor een rechtszaak naar de koning kwam.
Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël.
Na verloop van veertig jaar zei Absalom tegen de koning: Laat mij toch naar Hebron gaan.
Dan kan ik de gelofte inlossen die ik de HEERE gedaan heb.

Want uw dienaar heeft een gelofte gedaan toen ik in Gesur in Syrië woonde.
Ik zei: Als de HEERE mij echt naar Jeruzalem terugbrengt, zal ik de HEERE dienen.

De koning zei tegen hem: Ga in vrede.
Toen ging hij op weg naar Hebron.
Absalom had geheime boden naar alle stammen van Israël gestuurd met de boodschap: Als jullie de bazuin horen, roep dan: Absalom is koning in Hebron!
Met Absalom gingen 200 mannen uit Jeruzalem mee.
Zij waren uitgenodigd en gingen in alle onschuld mee, want zij wisten van niets.
Terwijl Absalom de offers bracht, liet hij ook Achitofel uit Gilo halen, uit zijn stad.
Achitofel was de raadsman van David.
De samenzwering werd sterk, en het volk dat Absalom volgde, werd steeds groter.
David vlucht uit Jeruzalem
Toen kwam er een bode bij David met het bericht: Het hart van de mannen van Israël gaat uit naar Absalom.
David zei tegen al zijn dienaren die bij hem in Jeruzalem waren: Sta op, laten wij vluchten.
Anders ontkomen wij niet aan Absalom.
Ga snel weg, voordat hij ons inhaalt, onheil over ons brengt en de stad met het zwaard verwoest.

De dienaren van de koning zeiden tegen de koning: Wat mijn heer de koning ook besluit, uw dienaren staan klaar.
Zo vertrok de koning te voet met zijn hele familie.
Maar de koning liet tien bijvrouwen achter om op het paleis te passen.
Toen de koning met al het volk te voet vertrokken was, bleven zij op enige afstand staan.
Al zijn dienaren trokken langs hem heen.
Ook alle Krethi en Plethi en alle Gethieten, 600 man die hem uit Gath gevolgd waren, trokken langs de koning.
Toen zei de koning tegen Ithai, de Gethiet: Waarom ga jij ook met ons mee?
Keer terug en blijf bij de koning.
Want je bent een vreemdeling, en je bent ook uit je eigen land weggegaan.

Gisteren ben je pas gekomen, en zou ik je vandaag al met ons laten rondzwerven?
Ik ga maar waar ik heen kan.
Keer terug en neem je broers mee.
Goedheid en trouw zij met je.

Maar Ithai antwoordde de koning: Zo waar de HEERE leeft en zo waar mijn heer de koning leeft!
Waar mijn heer de koning is, daar zal uw dienaar ook zijn, in leven of in dood!

Toen zei David tegen Ithai: Kom dan en trek mee.
Zo trok Ithai, de Gethiet, mee met al zijn mannen en alle kinderen die bij hem waren.
Het hele land huilde luid toen al het volk voorbijtrok.
Ook de koning stak de beek Kidron over, en al het volk trok verder in de richting van de woestijn.
Ook Zadok was daar, met alle Levieten die de ark van het verbond van God droegen.
Zij zetten de ark van God neer.
Abjathar kwam naar boven, tot al het volk de stad uit was.
Toen zei de koning tegen Zadok: Breng de ark van God terug naar de stad.
Als ik genade vind in de ogen van de HEERE, zal Hij mij terugbrengen.
Dan laat Hij mij de ark en Zijn woning weer zien.

Maar als Hij zegt: Ik heb geen vreugde in je, dan ben ik hier.
Laat Hij met mij doen wat goed is in Zijn ogen.

De koning zei verder tegen de priester Zadok: Ben jij geen ziener?
Ga in vrede terug naar de stad, met jullie twee zonen, jouw zoon Ahimaäz en Jonathan, de zoon van Abjathar.

Kijk, ik blijf wachten in de vlakten van de woestijn, tot er bericht van jullie komt.
Zo brachten Zadok en Abjathar de ark van God terug naar Jeruzalem, en zij bleven daar.
David ging huilend de helling van de Olijfberg op.
Zijn hoofd was bedekt en hij liep blootsvoets.
Ook al het volk dat bij hem was, had het hoofd bedekt en ging huilend naar boven.
Aan David werd verteld: Achitofel is onder de samenzweerders bij Absalom.
Toen zei David: HEERE, maak de raad van Achitofel toch tot dwaasheid!
Toen David op de top kwam, waar men God aanbad, kwam Husai, de Archiet, hem tegemoet.
Zijn kleren waren gescheurd en er lag aarde op zijn hoofd.
David zei tegen hem: Als je met mij meegaat, ben je een last voor mij.
Maar als je naar de stad teruggaat, zeg dan tegen Absalom: Ik zal uw dienaar zijn, koning.
Vroeger was ik de dienaar van uw vader, maar nu zal ik uw dienaar zijn.
Dan kun je de raad van Achitofel voor mij verijdelen.

Zijn de priesters Zadok en Abjathar daar niet bij je?
Vertel alles wat je in het paleis hoort, aan de priesters Zadok en Abjathar.

Kijk, hun twee zonen zijn daar bij hen, Ahimaäz, de zoon van Zadok, en Jonathan, de zoon van Abjathar.
Stuur mij door hen alles wat jullie horen.

Zo kwam Husai, de vriend van David, in de stad, net toen Absalom in Jeruzalem aankwam.

Download hoofdstuk als tekstbestand