Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Samuel 14
Absalom keert terug
De wijze vrouw uit Tekoa
Joab, de zoon van Zeruja, merkte dat het hart van de koning naar Absalom uitging.
Daarom liet Joab een wijze vrouw uit Tekoa halen.
Hij zei tegen haar: Doe alsof je rouwt en trek rouwkleren aan.
Zalf je niet met olie, en gedraag je als een vrouw die al lang om een dode rouwt.
Hij zei tegen haar: Doe alsof je rouwt en trek rouwkleren aan.
Zalf je niet met olie, en gedraag je als een vrouw die al lang om een dode rouwt.
Ga dan naar de koning en zeg dit tegen hem.
En Joab legde haar de woorden in de mond.
En Joab legde haar de woorden in de mond.
De vrouw uit Tekoa ging naar de koning.
Zij viel met haar gezicht ter aarde, boog zich neer en zei: Help mij, koning!
Zij viel met haar gezicht ter aarde, boog zich neer en zei: Help mij, koning!
De koning vroeg haar: Wat is er met je?
Zij zei: Ik ben een weduwe, mijn man is gestorven.
Zij zei: Ik ben een weduwe, mijn man is gestorven.
Uw dienares had twee zonen.
Die kregen samen ruzie in het veld, en er was niemand die hen uit elkaar haalde.
Toen sloeg de een de ander dood.
Die kregen samen ruzie in het veld, en er was niemand die hen uit elkaar haalde.
Toen sloeg de een de ander dood.
En nu is de hele familie tegen uw dienares opgestaan.
Zij zeggen: Lever degene uit die zijn broer heeft gedood.
Dan doden wij hem voor het leven van zijn broer, en roeien wij ook de erfgenaam uit.
Zo willen zij het laatste kooltje dat mij over is, uitdoven.
Dan blijft er van mijn man geen naam en geen nakomeling op aarde over.
Zij zeggen: Lever degene uit die zijn broer heeft gedood.
Dan doden wij hem voor het leven van zijn broer, en roeien wij ook de erfgenaam uit.
Zo willen zij het laatste kooltje dat mij over is, uitdoven.
Dan blijft er van mijn man geen naam en geen nakomeling op aarde over.
De koning zei tegen de vrouw: Ga naar huis.
Ik zal een bevel over je geven.
Ik zal een bevel over je geven.
De vrouw uit Tekoa zei tegen de koning: Mijn heer de koning, laat de schuld op mij en op de familie van mijn vader rusten.
Maar de koning en zijn troon zijn onschuldig.
Maar de koning en zijn troon zijn onschuldig.
De koning zei: Als iemand je lastigvalt, breng hem dan bij mij.
Dan zal hij je nooit meer aanraken.
Dan zal hij je nooit meer aanraken.
Zij zei: Laat de koning toch denken aan de HEERE, uw God, zodat de bloedwreker niet nog meer onheil aanricht en mijn zoon niet uitroeit.
Hij zei: Zo waar de HEERE leeft, er zal geen haar van het hoofd van je zoon op de grond vallen!
Hij zei: Zo waar de HEERE leeft, er zal geen haar van het hoofd van je zoon op de grond vallen!
Toen zei de vrouw: Laat uw dienares toch een woord tegen mijn heer de koning spreken.
Hij zei: Spreek.
Hij zei: Spreek.
De vrouw zei: Waarom hebt u dan zoiets bedacht tegen het volk van God?
Door wat de koning nu gezegd heeft, staat hij zelf schuldig.
Want de koning haalt zijn eigen verstoten zoon niet terug.
Door wat de koning nu gezegd heeft, staat hij zelf schuldig.
Want de koning haalt zijn eigen verstoten zoon niet terug.
Wij moeten allemaal sterven, en zijn als water dat op de grond is uitgegoten en dat niet meer bijeen te brengen is.
Maar God neemt het leven niet weg.
Hij bedenkt plannen om een verstotene niet voorgoed te verstoten.
Maar God neemt het leven niet weg.
Hij bedenkt plannen om een verstotene niet voorgoed te verstoten.
Ik ben nu gekomen om dit tegen mijn heer de koning te zeggen, omdat het volk mij bang maakte.
Uw dienares dacht: Ik zal met de koning spreken.
Misschien doet de koning wat zijn dienares vraagt.
Uw dienares dacht: Ik zal met de koning spreken.
Misschien doet de koning wat zijn dienares vraagt.
Want de koning zal luisteren en zijn dienares redden.
Hij zal mij redden uit de hand van de man die mij en mijn zoon samen uit het erfdeel van God wil wegvagen.
Hij zal mij redden uit de hand van de man die mij en mijn zoon samen uit het erfdeel van God wil wegvagen.
Uw dienares dacht: Laat het woord van mijn heer de koning mij rust geven.
Want mijn heer de koning is als een engel van God, die goed en kwaad kan onderscheiden.
De HEERE, uw God, zij met u.
Want mijn heer de koning is als een engel van God, die goed en kwaad kan onderscheiden.
De HEERE, uw God, zij met u.
Toen antwoordde de koning de vrouw: Verzwijg niets voor mij van wat ik je ga vragen.
De vrouw zei: Laat mijn heer de koning spreken.
De vrouw zei: Laat mijn heer de koning spreken.
De koning vroeg: Zit Joab hier achter?
De vrouw antwoordde: Zo waar u leeft, mijn heer de koning, niemand kan om wat mijn heer de koning zegt heen.
Ja, uw dienaar Joab heeft het mij opgedragen.
Hij heeft al deze woorden in de mond van uw dienares gelegd.
De vrouw antwoordde: Zo waar u leeft, mijn heer de koning, niemand kan om wat mijn heer de koning zegt heen.
Ja, uw dienaar Joab heeft het mij opgedragen.
Hij heeft al deze woorden in de mond van uw dienares gelegd.
Om de zaak een andere wending te geven, heeft uw dienaar Joab dit gedaan.
Maar mijn heer is wijs, met de wijsheid van een engel van God.
Hij weet alles wat er op aarde gebeurt.
Maar mijn heer is wijs, met de wijsheid van een engel van God.
Hij weet alles wat er op aarde gebeurt.
Absalom in Jeruzalem
Toen zei de koning tegen Joab: Goed, ik doe het.
Ga en haal de jonge Absalom terug.
Ga en haal de jonge Absalom terug.
Joab viel met zijn gezicht ter aarde, boog zich neer en dankte de koning.
Joab zei: Vandaag weet uw dienaar dat ik genade heb gevonden in uw ogen, mijn heer de koning.
Want de koning heeft gedaan wat zijn dienaar vroeg.
Joab zei: Vandaag weet uw dienaar dat ik genade heb gevonden in uw ogen, mijn heer de koning.
Want de koning heeft gedaan wat zijn dienaar vroeg.
Toen ging Joab op weg naar Gesur en bracht Absalom naar Jeruzalem.
Maar de koning zei: Laat hij naar zijn eigen huis gaan.
Hij mag mij niet onder ogen komen.
Zo ging Absalom naar zijn eigen huis en kwam de koning niet onder ogen.
Hij mag mij niet onder ogen komen.
Zo ging Absalom naar zijn eigen huis en kwam de koning niet onder ogen.
In heel Israël was er geen man zo knap als Absalom, zo te prijzen.
Van zijn voetzolen tot zijn kruin was er niets aan hem te verbeteren.
Van zijn voetzolen tot zijn kruin was er niets aan hem te verbeteren.
Aan het eind van elk jaar liet hij zijn hoofdhaar knippen, omdat het hem te zwaar werd.
Dan woog zijn hoofdhaar ongeveer 2 kilo, naar het gewicht van de koning.
Dan woog zijn hoofdhaar ongeveer 2 kilo, naar het gewicht van de koning.
Absalom kreeg drie zonen en een dochter, die Tamar heette.
Zij was een mooie vrouw.
Zij was een mooie vrouw.
Absalom woonde twee volle jaren in Jeruzalem zonder de koning onder ogen te komen.
Toen stuurde Absalom een bericht naar Joab om hem naar de koning te sturen.
Maar Joab wilde niet bij hem komen.
Hij stuurde nog een tweede keer iemand, maar ook toen wilde hij niet komen.
Maar Joab wilde niet bij hem komen.
Hij stuurde nog een tweede keer iemand, maar ook toen wilde hij niet komen.
Toen zei hij tegen zijn dienaren: Kijk, het akkertje van Joab ligt naast het mijne, en er staat gerst op.
Ga het in brand steken.
Toen staken de dienaren van Absalom het akkertje in brand.
Ga het in brand steken.
Toen staken de dienaren van Absalom het akkertje in brand.
Toen kwam Joab naar Absalom in huis en vroeg hem: Waarom hebben jouw dienaren mijn akker in brand gestoken?
Absalom zei tegen Joab: Kijk, ik heb je laten zeggen: Kom hier.
Dan stuur ik je naar de koning met de vraag: Waarom ben ik uit Gesur gekomen?
Het was beter voor mij geweest als ik daar nog was.
Laat mij nu de koning onder ogen komen.
Als ik schuldig ben, laat hij mij dan doden.
Dan stuur ik je naar de koning met de vraag: Waarom ben ik uit Gesur gekomen?
Het was beter voor mij geweest als ik daar nog was.
Laat mij nu de koning onder ogen komen.
Als ik schuldig ben, laat hij mij dan doden.
Toen ging Joab naar de koning en vertelde het hem.
De koning liet Absalom roepen.
Hij kwam bij de koning en boog zich voor hem met zijn gezicht ter aarde.
En de koning kuste Absalom.
De koning liet Absalom roepen.
Hij kwam bij de koning en boog zich voor hem met zijn gezicht ter aarde.
En de koning kuste Absalom.