Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

2 Makkabeeën 11

Lysias verliest en er komt vrede

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
De ruiter in het wit
Kort daarna was Lysias, de hofmeester en verwant van de koning, die over de zaken van de koning ging, zeer ontevreden over wat er gebeurd was.
Hij bracht ongeveer tachtigduizend man voetvolk bijeen met heel de ruiterij en trok op tegen de Joden.
Hij was van plan de stad tot een woonplaats voor de volken te maken,
de tempel als geldbron te gebruiken, net als de andere tempels van de volken, en het hogepriesterschap elk jaar voor geld te verkopen.
Hij rekende helemaal niet met de macht van God, maar was hoogmoedig op zijn vele duizenden voetvolk, zijn duizenden ruiters en zijn tachtig olifanten.
Hij kwam in Judea en naderde Bet-Sur, een sterke plaats op ongeveer vijf stadiën van Jeruzalem, en hij sloot het in.
Toen de mannen van de Makkabeeër hoorden dat hij hun vestingen belegerde, baden zij met de menigte onder gekerm en tranen tot de Heere of Hij een goede engel wilde sturen om Israël te redden.
De Makkabeeër zelf nam als eerste de wapens op en spoorde de anderen aan zich met hem in gevaar te begeven om hun broeders te helpen.
Zij deden samen een moedige uitval.
Toen zij nog bij Jeruzalem waren, verscheen hun een ruiter te paard die voor hen uit reed, in witte kleding, en die zijn gouden wapenrusting liet blinken.
Zij prezen allemaal eenstemmig de barmhartige God en werden van binnen zo sterk dat zij bereid waren niet alleen mensen, maar ook de wildste dieren en ijzeren muren te doorbreken.
Zij trokken in slagorde verder, met iemand uit de hemel die hen zou helpen vechten, want God ontfermde zich over hen.
Als leeuwen vielen zij hun vijanden aan.
Zij sloegen er elfduizend man voetvolk neer en zestienhonderd ruiters.
Alle anderen dwongen zij te vluchten.
Velen van hen ontkwamen gewond en zonder wapens, en ook Lysias zelf ontkwam, maar met schande.
Lysias zoekt vrede
Hij was niet dom.
Hij dacht na over de nederlaag die hij geleden had en begreep dat de Hebreeën onoverwinnelijk waren, omdat de almachtige God met hen streed.
Daarom stuurde hij een boodschap naar hen.
Hij verzekerde hun dat hij op alle redelijke voorwaarden met hen wilde onderhandelen en dat hij daarom ook de koning zou overhalen, ja dwingen, hun vriend te worden.
De Makkabeeër zorgde voor wat goed was en stemde in met alles wat Lysias vroeg.
Want alles wat de Makkabeeër voor de Joden schriftelijk aan Lysias voorgelegd had, stond de koning toe.
De brief van Lysias
De brieven die Lysias aan de Joden schreef, hadden deze inhoud: Lysias wenst het Joodse volk voorspoed.
Johannes en Absalom, die door u gestuurd zijn, hebben de antwoorden overhandigd die hieronder staan, en zij hebben gevraagd of wij wilden inwilligen wat daarin staat.
Ik heb alles wat aan de koning voorgelegd moest worden aan hem uitgelegd, en hij heeft toegestaan wat redelijk was.
Daarom: als u onze zaken welgezind blijft, zal ik ook voortaan proberen bij te dragen aan uw welzijn.
Over de bijzonderheden heb ik zowel aan deze mannen als aan mijn eigen gezanten opdracht gegeven om het u uit te leggen.
Het ga u goed.
In het honderdachtenveertigste jaar, de vierentwintigste dag van de maand van Zeus Corinthius.

De brieven van de koning
En de brief van de koning had deze inhoud: Koning Antiochus wenst zijn broeder Lysias voorspoed.
Nu onze vader tot de goden is opgenomen, willen wij dat wie in ons koninkrijk wonen zonder onrust hun eigen zaken kunnen doen.
Wij hebben gehoord dat de Joden niet tevreden zijn met de verandering van mijn vader, waarmee hij hen tot de Griekse manier van godsdienst wilde brengen, maar dat zij liever hun eigen manier volgen, en dat zij daarom vragen of zij hun eigen wetten mogen houden.
Daarom hebben wij besloten dat ook dit volk buiten de onrust zal blijven, en wij bevelen dat de tempel aan hen teruggegeven wordt en dat zij voortaan mogen leven naar de gewoonten van hun voorouders.
U zult er goed aan doen mensen naar hen toe te sturen en hun de rechterhand te geven, zodat zij, nu zij ons besluit kennen, goede moed krijgen en met vreugde hun eigen zaken kunnen doen.
En de brief van de koning aan het Joodse volk luidde zo: Koning Antiochus wenst de raad van de Joden en alle andere Joden voorspoed.
Als het goed met u gaat, dan is dat zoals wij het willen.
Wij zijn in goede gezondheid.

Menelaüs heeft ons verteld dat u, teruggekeerd, uw eigen zaken wilt doen.
Wie tot de dertigste dag van de maand Xanthicus bij ons komen, krijgen de rechterhand met alle zekerheid.
De Joden mogen hun eigen voedsel en hun eigen wetten gebruiken, zoals vroeger, en niemand van hen zal op welke manier dan ook lastiggevallen worden om wat er onbezonnen gedaan mag zijn.
Ik heb ook Menelaüs naar u toe gestuurd om u gerust te stellen.
Het ga u goed.
De vijftiende dag van de maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.

De brief van de Romeinen
Ook de Romeinen schreven hun een brief met deze inhoud: Quintus Memmius en Titus Manlius, gezanten van de Romeinen, wensen het Joodse volk voorspoed.
Wat Lysias, de verwant van de koning, u toegestaan heeft, vinden ook wij goed.
Maar wat hij besloten heeft aan de koning voor te leggen: stuur daar meteen iemand voor die erover kan onderhandelen, zodat wij kunnen uitleggen wat goed voor u is.
Want wij trekken naar Antiochië.

Haast u daarom en stuur mensen, zodat ook wij weten hoe u erover denkt.
Het ga u goed.
De vijftiende dag van de maand Xanthicus, in het jaar honderdachtenveertig.

Download hoofdstuk als tekstbestand