Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Apocriefe boeken
2 Makkabeeën 12
Judas wreekt de verdronken Joden
De haven van Joppe in brand
Toen deze verdragen gesloten waren, vertrok Lysias naar de koning, en de Joden gingen hun land bewerken.
Maar de bevelhebbers van die streken, Timotheüs en Apollonius, de zoon van Genneüs, en ook Hieronymus en Demofon, en daarbij Nikanor, de bevelhebber van Cyprus, lieten hen niet met rust en lieten hun niet toe hun werk in stilte te doen.
En de mensen van Joppe deden de Joden dit schandelijke stuk.
Zij vroegen de Joden die bij hen woonden met vrouwen en kinderen in schuiten te stappen die zij geregeld hadden, alsof er geen vijandschap tegen hen bestond.
Zij vroegen de Joden die bij hen woonden met vrouwen en kinderen in schuiten te stappen die zij geregeld hadden, alsof er geen vijandschap tegen hen bestond.
Toen zij dat aannamen omdat er een openbaar besluit van de stad was, want zij wilden in vrede leven en hadden geen kwaad vermoeden, en toen zij op zee waren, hebben de mensen van Joppe hen in zee verdronken, minstens tweehonderd.
Toen Judas hoorde dat deze wreedheid tegen zijn landgenoten begaan was, gaf hij zijn mannen bevel de wapens op te nemen.
Hij riep God aan als een rechtvaardige rechter,
Hij riep God aan als een rechtvaardige rechter,
en trok op tegen de moordenaars van zijn broeders.
Hij stak 's nachts de haven in brand, verbrandde de schuiten en doorstak wie daarheen gevlucht waren.
Hij stak 's nachts de haven in brand, verbrandde de schuiten en doorstak wie daarheen gevlucht waren.
Omdat de plaats afgesloten was, vertrok hij met het plan terug te komen en heel de burgerij van Joppe uit te roeien.
Toen hij hoorde dat ook de mensen van Jamnia hetzelfde wilden doen met de Joden die bij hen woonden,
overviel hij Jamnia 's nachts en verbrandde hij hun haven en vloot, zodat het licht van de vlam tot in Jeruzalem te zien was, tweehonderdveertig stadiën verder.
De Arabieren en de stad Caspin
Toen zij vandaar negen stadiën gegaan waren en op weg waren naar Timotheüs, vielen de Arabieren hen aan, minstens vijfduizend man voetvolk en vijfhonderd ruiters.
Er ontstond een hevig gevecht, en de mannen van Judas vochten met succes door de hulp die van God kwam.
De nomaden van Arabië werden overwonnen en vroegen Judas of hij hun de rechterhand wilde geven.
Zij beloofden hem hun vee te geven en hem in alles van dienst te zijn.
De nomaden van Arabië werden overwonnen en vroegen Judas of hij hun de rechterhand wilde geven.
Zij beloofden hem hun vee te geven en hem in alles van dienst te zijn.
Judas dacht dat zij hem in veel zaken werkelijk van dienst zouden zijn, en hij stemde toe vrede met hen te sluiten.
Toen zij de rechterhand gekregen hadden, gingen zij terug naar hun tenten.
Toen zij de rechterhand gekregen hadden, gingen zij terug naar hun tenten.
Hij ondernam ook een aanval op een sterke stad met muren eromheen, die door allerlei door elkaar gemengde volken bewoond werd en Caspin heette.
Maar wie binnen zaten, vertrouwden op de sterkte van hun muren en op hun voedselvoorraad.
Zij gedroegen zich onverschillig, scholden de mannen van Judas uit, lasterden hen en spraken onbehoorlijke dingen.
Zij gedroegen zich onverschillig, scholden de mannen van Judas uit, lasterden hen en spraken onbehoorlijke dingen.
Maar de mannen van Judas riepen de grote Vorst van de wereld aan, die zonder stormrammen en andere belegeringswerktuigen in de tijd van Jozua de muren van Jericho heeft neergeworpen.
Zij vielen de muren aan als wilde mannen.
Zij vielen de muren aan als wilde mannen.
Zij namen de stad in door de wil van God en doodden een onuitsprekelijke menigte, zodat het meer daarnaast, dat twee stadiën breed was, leek te stromen van bloed en ermee gevuld leek.
Timotheüs verslagen
Toen zij vandaar zevenhonderdvijftig stadiën verder getrokken waren, kwamen zij in Charax bij de Joden die Tubianen heten.
Zij troffen Timotheüs niet in die streken aan.
Hij was daar zonder iets te bereiken vertrokken en had een bezetting achtergelaten op een zeer sterke plaats.
Hij was daar zonder iets te bereiken vertrokken en had een bezetting achtergelaten op een zeer sterke plaats.
Dositheüs en Sosipater, twee aanvoerders van de mannen van de Makkabeeër, trokken uit en doodden meer dan tienduizend man van de mannen die Timotheüs in die vesting achtergelaten had.
Judas de Makkabeeër stelde zijn leger in afdelingen op, gaf ieder een aanvoerder en viel Timotheüs aan, die honderdtwintigduizend man voetvolk en tweeduizend vijfhonderd ruiters bij zich had.
Toen Timotheüs hoorde dat Judas eraan kwam, stuurde hij alle vrouwen en kinderen en alle bagage vooruit naar een plaats die Karnion heet, want die plaats was moeilijk te belegeren en moeilijk te bereiken, door de nauwe toegangen overal.
Zodra de eerste afdeling van Judas zich vertoonde, kwam er ontzetting over de vijanden door de verschijning van Hem die alles ziet.
Zij sloegen met veel lawaai op de vlucht, de een hierheen en de ander daarheen, zodat zij vaak door hun eigen mensen verwond en door scherpe zwaarden doorstoken werden.
Zij sloegen met veel lawaai op de vlucht, de een hierheen en de ander daarheen, zodat zij vaak door hun eigen mensen verwond en door scherpe zwaarden doorstoken werden.
Judas achtervolgde hen fel, doorstak die misdadigers en doodde er dertigduizend.
Timotheüs zelf viel in handen van Dositheüs en Sosipater.
Met veel bedrog smeekte hij dat men hem in leven zou laten en zou vrijlaten, omdat hij veel van hun ouders en broers in handen had en het anders slecht met hen zou aflopen.
Met veel bedrog smeekte hij dat men hem in leven zou laten en zou vrijlaten, omdat hij veel van hun ouders en broers in handen had en het anders slecht met hen zou aflopen.
Toen hij met veel woorden zijn toezegging bevestigd had, namelijk dat hij hen ongedeerd zou uitleveren, lieten zij hem los om hun broeders te redden.
Judas trok vandaar naar Karnion en Atargatis en doodde daar vijfentwintigduizend man.
Efron en Scythopolis
Na de vlucht en de nederlaag van die mannen bracht hij zijn leger ook voor Efron, een sterke stad waarin een grote menigte van allerlei volken woonde.
De dappere jonge mannen stonden voor de muren en vochten hevig, en er was een grote voorraad werktuigen en pijlen.
De dappere jonge mannen stonden voor de muren en vochten hevig, en er was een grote voorraad werktuigen en pijlen.
Maar zij riepen God aan, de Vorst die met kracht de macht van de vijanden breekt, en zij namen de stad in en onderwierpen haar, en zij doodden er vijfentwintigduizend van wie daarin waren.
Vandaar trokken zij op naar de stad Scythopolis, zeshonderd stadiën van Jeruzalem.
Maar de Joden die daar woonden, getuigden van de welwillendheid die de burgers van Scythopolis hun getoond hadden en hoe vriendelijk zij hen in tijden van tegenspoed behandeld hadden.
Daarom bedankten zij hen en spoorden zij hen aan ook voortaan hun volk goedgezind te zijn.
En omdat het Wekenfeest eraan kwam, keerden zij terug naar Jeruzalem.
En omdat het Wekenfeest eraan kwam, keerden zij terug naar Jeruzalem.
De slag tegen Gorgias
Toen het feest dat Pinksteren heet voorbij was, trokken zij op tegen Gorgias, de bevelhebber van Idumea.
Zij trokken uit met drieduizend man voetvolk en vierhonderd ruiters.
Toen zij tegen hem vochten, gebeurde het dat er maar weinig Joden vielen.
Een zekere Dositheüs, een ruiter uit de troep van Bakenor en een sterke man, had Gorgias te pakken.
Hij greep hem bij zijn mantel en sleepte hem met kracht mee.
Maar terwijl hij die man levend gevangen wilde nemen, viel een van de Thracische ruiters hem aan, hakte zijn schouder af, en Gorgias ontsnapte naar Marisa.
Hij greep hem bij zijn mantel en sleepte hem met kracht mee.
Maar terwijl hij die man levend gevangen wilde nemen, viel een van de Thracische ruiters hem aan, hakte zijn schouder af, en Gorgias ontsnapte naar Marisa.
Toen de mannen van Esdrin lang gevochten hadden en moe waren, riep Judas de Heere aan of Hij als medestrijder en aanvoerder in de strijd wilde verschijnen.
Hij begon in de taal van zijn voorouders een strijdkreet met lofliederen, viel de soldaten van Gorgias onverwacht aan en dreef hen op de vlucht.
Judas bracht zijn troepen bijeen en kwam in de stad Odollam.
Omdat de zevende dag aanbrak, heiligden zij zich zoals de gewoonte is en brachten zij daar de sabbat door.
Omdat de zevende dag aanbrak, heiligden zij zich zoals de gewoonte is en brachten zij daar de sabbat door.
Het offer voor de gestorvenen
De volgende dag gingen de mannen van Judas, zoals het op dat moment hoort, de lichamen ophalen van wie gevallen waren, om die bij hun verwanten in de graven van hun voorouders te leggen.
Onder de kleding van elk van de doden vonden zij voorwerpen die aan de afgoden van Jamnia gewijd waren, wat de wet de Joden verbiedt.
Toen werd het iedereen duidelijk dat zij daarom gevallen waren.
Toen werd het iedereen duidelijk dat zij daarom gevallen waren.
Zij prezen allemaal de Heere, de rechtvaardige rechter, die alle verborgen dingen aan het licht brengt.
Zij gingen bidden en vroegen of de zonde die daar begaan was helemaal uitgewist mocht worden.
En de moedige Judas spoorde de menigte aan zichzelf te bewaren en zonder zonde te blijven, nu zij met eigen ogen gezien hadden wat er gebeurd was om de zonden van wie gevallen waren.
En de moedige Judas spoorde de menigte aan zichzelf te bewaren en zonder zonde te blijven, nu zij met eigen ogen gezien hadden wat er gebeurd was om de zonden van wie gevallen waren.
Hij liet een collecte houden en stuurde tweeduizend drachmen zilver naar Jeruzalem om een zondoffer te laten brengen.
Dat deed hij heel goed en edel, want hij dacht aan de opstanding.
Dat deed hij heel goed en edel, want hij dacht aan de opstanding.
Want als hij niet verwacht had dat wie gevallen waren weer zouden opstaan, zou het zinloos en dwaas geweest zijn voor de doden te bidden.
Daarbij bedacht hij dat voor wie in geloof gestorven zijn een heel mooie genade klaarligt.
Een heilige en godvruchtige gedachte!
Daarom liet hij voor de gestorvenen de verzoening doen, zodat zij van hun zonden bevrijd zouden worden.
Daarom liet hij voor de gestorvenen de verzoening doen, zodat zij van hun zonden bevrijd zouden worden.