Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Kronieken 31
De gaven voor de priesters en Levieten
De afgoden verdwijnen
Toen dit alles klaar was, trokken alle Israëlieten die er waren naar de steden van Juda.
Zij sloegen de gewijde stenen kapot, hakten de gewijde palen om en haalden de offerhoogten en de altaren weg.
Dat deden zij in heel Juda en Benjamin, en ook in Efraïm en Manasse, tot alles weg was.
Daarna ging iedereen terug naar zijn eigen bezit in zijn stad.
Zij sloegen de gewijde stenen kapot, hakten de gewijde palen om en haalden de offerhoogten en de altaren weg.
Dat deden zij in heel Juda en Benjamin, en ook in Efraïm en Manasse, tot alles weg was.
Daarna ging iedereen terug naar zijn eigen bezit in zijn stad.
Hizkia deelde de priesters en de Levieten weer in groepen in, ieder naar zijn dienst.
Zij moesten de brandoffers en de dankoffers brengen, dienen, danken en prijzen in de poorten van het kamp van de HEERE.
Zij moesten de brandoffers en de dankoffers brengen, dienen, danken en prijzen in de poorten van het kamp van de HEERE.
De koning gaf uit zijn eigen bezit een deel voor de brandoffers.
Dat waren de brandoffers van de morgen en de avond, en die van de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de feesten.
Zo staat het in de wet van de HEERE.
Dat waren de brandoffers van de morgen en de avond, en die van de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de feesten.
Zo staat het in de wet van de HEERE.
Hij zei tegen het volk, tegen de inwoners van Jeruzalem, dat zij het deel voor de priesters en de Levieten moesten geven.
Dan konden die zich aan de wet van de HEERE houden.
Dan konden die zich aan de wet van de HEERE houden.
De tienden en de eerstelingen
Toen dit bekend werd, brachten de Israëlieten veel eerstelingen van graan, nieuwe wijn, olie en honing, en van alles wat het land opbracht.
Ook brachten zij de tienden van alles in overvloed.
Ook brachten zij de tienden van alles in overvloed.
De Israëlieten en de mensen van Juda die in de steden van Juda woonden, brachten ook tienden van runderen en schapen.
Verder brachten zij tienden van de gewijde gaven voor de HEERE, hun God.
Zij legden alles op grote stapels.
Verder brachten zij tienden van de gewijde gaven voor de HEERE, hun God.
Zij legden alles op grote stapels.
In de derde maand begonnen zij die stapels aan te leggen, en in de zevende maand waren zij klaar.
Toen Jehizkia en de leiders kwamen kijken en die stapels zagen, prezen zij de HEERE en zijn volk Israël.
Jehizkia vroeg de priesters en de Levieten naar die stapels.
Azaria, de hogepriester uit het huis van Zadok, antwoordde hem: Men is dit hefoffer naar het huis van de HEERE gaan brengen.
Sindsdien hebben wij genoeg gegeten en houden wij veel over.
De HEERE heeft zijn volk gezegend, en daarom is deze grote hoeveelheid overgebleven.
Sindsdien hebben wij genoeg gegeten en houden wij veel over.
De HEERE heeft zijn volk gezegend, en daarom is deze grote hoeveelheid overgebleven.
De kamers bij de tempel
Toen zei Jehizkia dat men kamers in het huis van de HEERE moest inrichten, en dat deden zij.
Daar brachten zij trouw het hefoffer, de tienden en de gewijde gaven in.
Chonanja, de Leviet, had de leiding, en zijn broer Simeï was zijn tweede man.
Chonanja, de Leviet, had de leiding, en zijn broer Simeï was zijn tweede man.
Jehiël, Azazja, Nahath, Asahel, Jerimoth, Jozabad, Eliël, Jismachja, Mahath en Benaja waren opzichters onder Chonanja en zijn broer Simeï.
Zo hadden koning Jehizkia en Azaria, de leider van het huis van God, het bevolen.
Zo hadden koning Jehizkia en Azaria, de leider van het huis van God, het bevolen.
Kore, de zoon van Jimna, de Leviet, was poortwachter aan de oostkant.
Hij ging over de vrijwillige gaven voor God en verdeelde het hefoffer van de HEERE en de allerheiligste gaven.
Hij ging over de vrijwillige gaven voor God en verdeelde het hefoffer van de HEERE en de allerheiligste gaven.
Onder hem stonden Eden, Minjamin, Jesua, Semaja, Amarja en Sechanja.
Zij deelden in de steden van de priesters trouw uit aan hun broers, aan klein en groot.
Zij deelden in de steden van de priesters trouw uit aan hun broers, aan klein en groot.
Dat gold voor iedereen van drie jaar en ouder die in het geslachtsregister stond.
Zij kwamen elke dag in het huis van de HEERE voor hun dienst, naar hun taak en hun groep.
Zij kwamen elke dag in het huis van de HEERE voor hun dienst, naar hun taak en hun groep.
Zo stonden de priesters per familie in het geslachtsregister, en de Levieten van twintig jaar en ouder naar hun taak en hun groep.
In het register stonden ook al hun kleine kinderen, hun vrouwen, hun zonen en hun dochters, in de hele vergadering.
Zij hadden zich namelijk trouw geheiligd voor hun ambt.
Zij hadden zich namelijk trouw geheiligd voor hun ambt.
Ook bij de priesters, de zonen van Aäron, waren er op de weidegronden bij hun steden mannen met name aangewezen.
Zij moesten in elke stad het deel uitdelen aan alle mannen onder de priesters en aan iedereen die in het register van de Levieten stond.
Zij moesten in elke stad het deel uitdelen aan alle mannen onder de priesters en aan iedereen die in het register van de Levieten stond.
Hizkia doet wat goed is
Zo deed Jehizkia in heel Juda.
Hij deed wat goed, juist en trouw was voor de HEERE, zijn God.
Hij deed wat goed, juist en trouw was voor de HEERE, zijn God.
Alles wat hij begon voor de dienst van het huis van God, deed hij met heel zijn hart.
Ook hield hij zich met heel zijn hart aan de wet en het gebod om zijn God te zoeken.
Daarom ging het hem goed.
Ook hield hij zich met heel zijn hart aan de wet en het gebod om zijn God te zoeken.
Daarom ging het hem goed.