Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Kronieken 30

Het pascha van Jehizkia

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Uitnodiging voor het pascha
Daarna stuurde Jehizkia een bericht naar heel Israël en Juda.
Ook schreef hij brieven aan Efraïm en Manasse.
Zij moesten naar het huis van de HEERE in Jeruzalem komen om pascha te vieren voor de HEERE, de God van Israël.
De koning had namelijk met zijn leiders en de hele vergadering in Jeruzalem overlegd om het pascha in de tweede maand te houden.
Zij hadden het niet op de gewone tijd kunnen houden, omdat er te weinig priesters geheiligd waren en het volk niet in Jeruzalem bijeengekomen was.
De koning en de hele vergadering vonden dit een goed besluit.
Zij besloten in heel Israël, van Berseba tot Dan, op te roepen tot het pascha voor de HEERE, de God van Israël, in Jeruzalem.
Zij hadden het namelijk lang niet gevierd zoals het voorgeschreven is.
De brief van Hizkia
De boden gingen met de brieven van de koning en zijn leiders door heel Israël en Juda.
In opdracht van de koning zeiden zij: Israëlieten, keer terug naar de HEERE, de God van Abraham, Izak en Israël.
Dan zal Hij zich keren naar wie er van u over zijn, wie ontkomen zijn aan de koningen van Assyrië.

Wees niet zoals uw voorouders en uw broers, die ontrouw waren aan de HEERE, de God van hun voorouders.
Daarom heeft Hij hen aan de verwoesting overgegeven, zoals u ziet.

Wees nu niet koppig zoals uw voorouders.
Geef de HEERE de hand en kom naar zijn heiligdom, dat Hij voor altijd geheiligd heeft.
Dien de HEERE, uw God, dan zal zijn brandende toorn zich van u afkeren.

Als u terugkeert naar de HEERE, zullen uw broers en uw kinderen barmhartigheid vinden bij wie hen gevangen houdt.
Zij zullen dan naar dit land terugkomen.
Want de HEERE, uw God, is genadig en barmhartig.
Hij zal zich niet van u afkeren als u naar Hem terugkeert.

De boden trokken van stad tot stad door het gebied van Efraïm en Manasse, tot in Zebulon.
Maar men lachte hen uit en bespotte hen.
Toch werden sommigen uit Aser, Manasse en Zebulon nederig en kwamen naar Jeruzalem.
Ook in Juda was de hand van God.
Hij gaf hun één hart om te doen wat de koning en de leiders bevolen hadden, naar het woord van de HEERE.
Het pascha wordt gevierd
In Jeruzalem kwam veel volk bijeen om in de tweede maand het feest van de ongezuurde broden te vieren.
Het was een heel grote vergadering.
Zij stonden op en haalden de altaren weg die in Jeruzalem stonden.
Ook haalden zij alle wierookaltaren weg en gooiden die in de beek Kidron.
Op de veertiende dag van de tweede maand slachtten zij het paaslam.
De priesters en de Levieten schaamden zich, heiligden zich en brachten brandoffers in het huis van de HEERE.
Zij stonden op hun plaats, zoals het hoort volgens de wet van Mozes, de man van God.
De priesters sprenkelden het bloed dat zij van de Levieten aannamen.
Veel mensen in die vergadering hadden zich niet geheiligd.
Daarom slachtten de Levieten de paaslammeren voor iedereen die niet rein was, om die voor de HEERE te heiligen.
Veel mensen uit Efraïm, Manasse, Issaschar en Zebulon hadden zich niet gereinigd.
Zij aten het pascha toch, anders dan voorgeschreven is.
Maar Jehizkia bad voor hen: De HEERE is goed.
Laat Hij verzoening doen.

Het gaat om ieder die zijn hele hart erop gericht heeft God te zoeken, de HEERE, de God van zijn voorouders.
Dat geldt ook als hij het niet deed volgens de reinheid van het heiligdom.

De HEERE luisterde naar Jehizkia en genas het volk.
Zeven dagen erbij
De Israëlieten die in Jeruzalem waren, vierden zeven dagen lang het feest van de ongezuurde broden, met grote blijdschap.
De Levieten en de priesters prezen de HEERE dag na dag, met luid klinkende instrumenten.
Jehizkia sprak hartelijk met alle Levieten die goed verstand van de dienst van de HEERE hadden.
Zeven dagen lang aten zij van de offergaven van het feest.
Zij brachten dankoffers en prezen de HEERE, de God van hun voorouders.
De hele vergadering besloot nog zeven dagen door te gaan.
Die zeven dagen vierden zij met blijdschap.
Jehizkia, de koning van Juda, gaf de vergadering duizend stieren en zevenduizend schapen.
De leiders gaven de vergadering duizend stieren en tienduizend schapen.
Er hadden zich nu veel priesters geheiligd.
De hele vergadering van Juda was blij, met de priesters en de Levieten.
Ook de hele groep die uit Israël gekomen was, was blij, en de vreemdelingen uit het land Israël die in Juda woonden.
Er was grote blijdschap in Jeruzalem.
Sinds de dagen van Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, was zoiets in Jeruzalem niet meer gebeurd.
Toen stonden de Levitische priesters op en zegenden het volk.
Hun stem werd gehoord, want hun gebed kwam bij zijn heilige woning in de hemel.

Download hoofdstuk als tekstbestand