Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Koningen 25

Jeruzalem valt

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
De belegering en de val van de stad
Het was het negende jaar van zijn regering, de tiende dag van de tiende maand.
Toen kwam Nebukadnezar, de koning van Babel, met zijn hele leger naar Jeruzalem.
Hij sloeg zijn kamp op tegen de stad en liet er rondom belegeringswerken bouwen.
Zo lag de stad onder belegering tot in het elfde jaar van koning Zedekia.
Op de negende dag van de vierde maand werd de honger in de stad te groot.
Het volk van het land had geen brood meer.
Toen werd er een bres in de stad geslagen.
Alle soldaten vluchtten 's nachts door de poort tussen de twee muren, bij de tuin van de koning.
De Chaldeeën lagen rondom de stad, en de koning ging in de richting van de Vlakte.
Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde de koning.
Zij haalden hem in op de vlakte van Jericho, en zijn hele leger raakte van hem verspreid.
Zij grepen de koning en brachten hem naar de koning van Babel in Ribla.
Daar spraken zij het vonnis over hem uit.
Zij doodden de zonen van Zedekia voor zijn ogen.
Daarna maakten zij Zedekia blind, boeiden hem met twee bronzen ketenen en brachten hem naar Babel.
De tempel wordt verbrand
In de vijfde maand, op de zevende dag, kwam Nebuzaradan naar Jeruzalem.
Hij was de bevelhebber van de lijfwacht en een dienaar van de koning van Babel.
Dat was in het negentiende jaar van Nebukadnezar, de koning van Babel.
Hij verbrandde het huis van de HEERE en het paleis.
Ook alle huizen van Jeruzalem verbrandde hij, tot elk huis van een vooraanstaande man toe.
Het hele leger van de Chaldeeën, dat bij de bevelhebber van de lijfwacht was, brak de muren rondom Jeruzalem af.
Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, voerde de rest van het volk weg.
Ook de overlopers die naar de koning van Babel waren gegaan, en wie er verder nog over was, voerde hij weg.
Alleen van de armste mensen van het land liet hij er een aantal achter, als wijnboeren en akkerbouwers.
De Chaldeeën braken de bronzen zuilen in het huis van de HEERE stuk, en ook de onderstellen en de bronzen zee.
Het brons daarvan brachten zij naar Babel.
Zij namen ook de potten, de scheppen, de messen, de schalen voor reukwerk en alle bronzen voorwerpen mee waarmee de dienst gedaan werd.
De bevelhebber van de lijfwacht nam de vuurpannen en de sprengbekkens mee, alles wat van zuiver goud of zuiver zilver was.
Salomo had de twee zuilen, de ene zee en de onderstellen voor het huis van de HEERE gemaakt.
Het brons daarvan was niet te wegen.
Elke zuil was ongeveer 8 meter hoog.
Het bronzen kapiteel erop was ongeveer 1,4 meter hoog.
Op het kapiteel zat rondom vlechtwerk met granaatappels, alles van brons.
De andere zuil was net zo, ook met vlechtwerk.
De bevelhebber van de lijfwacht nam ook Seraja mee, de hoofdpriester, en Zefanja, de tweede priester, met de drie drempelwachters.
Uit de stad nam hij een hoveling mee die over de soldaten ging.
Ook nam hij vijf mannen uit de naaste kring van de koning mee.
Verder nam hij de schrijver van de legerbevelhebber mee, die het volk voor het leger inschreef.
Ten slotte nam hij 60 mannen uit het volk mee die nog in de stad waren.
Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, nam hen mee en bracht hen naar de koning van Babel in Ribla.
De koning van Babel liet hen daar doden, in Ribla in het land Hamath.
Zo werd Juda uit zijn land weggevoerd.
Gedalia
Over het volk dat in Juda achterbleef, stelde Nebukadnezar, de koning van Babel, Gedalia aan.
Hij was de zoon van Ahikam, de zoon van Safan.
Alle legeraanvoerders en hun mannen hoorden dat de koning van Babel Gedalia had aangesteld.
Toen kwamen zij met hun mannen naar Gedalia in Mizpa.
Het waren Ismaël, de zoon van Nethanja, en Johanan, de zoon van Kareah.
Ook Seraja, de zoon van Tanhumeth uit Netofa, en Jaäzanja, de zoon van de Maächathiet, kwamen.
Gedalia zwoer hun en hun mannen een eed.
Hij zei tegen hen: Wees niet bang voor de dienaren van de Chaldeeën.
Blijf in het land en dien de koning van Babel, dan zal het jullie goed gaan.

Maar in de zevende maand kwam Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama.
Hij was van koninklijke afkomst en had tien mannen bij zich.
Zij doodden Gedalia, en ook de Judeeërs en de Chaldeeën die met hem in Mizpa waren.
Toen vertrok het hele volk, van klein tot groot, met de legeraanvoerders naar Egypte.
Zij waren namelijk bang voor de Chaldeeën.
Jojachin in Babel
In het zevenendertigste jaar dat Jojachin, de koning van Juda, weggevoerd was, kwam Evilmerodach aan de macht in Babel.
In het jaar dat hij koning werd, in de twaalfde maand, op de 27e dag, liet hij Jojachin uit de gevangenis halen.
Hij sprak vriendelijk met hem.
Hij gaf hem een hogere plaats dan de andere koningen die bij hem in Babel waren.
Jojachin mocht zijn gevangeniskleren uittrekken.
Zijn leven lang at hij voortaan aan de tafel van de koning.
Voor zijn levensonderhoud kreeg hij elke dag zijn vaste deel van de koning, zijn leven lang.

Download hoofdstuk als tekstbestand