Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Koningen 23
Josia vernieuwt het verbond
Het verbond en de grote opruiming
Toen stuurde de koning boden, en alle oudsten van Juda en Jeruzalem kwamen bij hem.
De koning ging naar het huis van de HEERE.
Alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem gingen met hem mee.
Ook de priesters, de profeten en het hele volk gingen mee, van klein tot groot.
Hij las hun alle woorden voor uit het boek van het verbond, dat in het huis van de HEERE gevonden was.
Alle mannen van Juda en alle inwoners van Jeruzalem gingen met hem mee.
Ook de priesters, de profeten en het hele volk gingen mee, van klein tot groot.
Hij las hun alle woorden voor uit het boek van het verbond, dat in het huis van de HEERE gevonden was.
De koning ging bij de zuil staan en sloot een verbond voor het aangezicht van de HEERE.
Hij beloofde de HEERE te volgen en Zijn geboden, Zijn waarschuwingen en Zijn voorschriften met heel zijn hart en heel zijn ziel te houden.
Zo bevestigde hij de woorden van het verbond die in dit boek staan.
Het hele volk stemde in met dit verbond.
Hij beloofde de HEERE te volgen en Zijn geboden, Zijn waarschuwingen en Zijn voorschriften met heel zijn hart en heel zijn ziel te houden.
Zo bevestigde hij de woorden van het verbond die in dit boek staan.
Het hele volk stemde in met dit verbond.
De koning gaf de hogepriester Hilkia, de priesters van de tweede rang en de drempelwachters bevel.
Zij moesten alle voorwerpen uit de tempel van de HEERE halen.
Het ging om alles wat gemaakt was voor Baäl, voor de gewijde paal en voor de sterren.
Hij verbrandde die buiten Jeruzalem in de velden van de Kidron en liet de as naar Bethel brengen.
Zij moesten alle voorwerpen uit de tempel van de HEERE halen.
Het ging om alles wat gemaakt was voor Baäl, voor de gewijde paal en voor de sterren.
Hij verbrandde die buiten Jeruzalem in de velden van de Kidron en liet de as naar Bethel brengen.
Ook zette hij de afgodenpriesters af, die door de koningen van Juda waren aangesteld.
Zij brandden reukwerk op de offerhoogten in de steden van Juda en rondom Jeruzalem.
Ook wie reukwerk brandde voor Baäl, voor de zon, de maan, de sterrenbeelden en alle sterren van de hemel, zette hij af.
Zij brandden reukwerk op de offerhoogten in de steden van Juda en rondom Jeruzalem.
Ook wie reukwerk brandde voor Baäl, voor de zon, de maan, de sterrenbeelden en alle sterren van de hemel, zette hij af.
Hij haalde het beeld van de gewijde paal uit het huis van de HEERE weg.
Buiten Jeruzalem verbrandde hij het bij de beek Kidron en verpulverde het tot stof.
Dat stof gooide hij op de graven van het gewone volk.
Buiten Jeruzalem verbrandde hij het bij de beek Kidron en verpulverde het tot stof.
Dat stof gooide hij op de graven van het gewone volk.
Hij brak ook de huizen van de tempelprostitués af, die bij het huis van de HEERE stonden.
Daar weefden de vrouwen tentdoeken voor de gewijde paal.
Daar weefden de vrouwen tentdoeken voor de gewijde paal.
Hij haalde alle priesters uit de steden van Juda naar Jeruzalem.
De offerhoogten waar die priesters reukwerk gebrand hadden, maakte hij onrein, van Geba tot Berseba.
Ook brak hij de offerhoogten bij de poorten af.
Een daarvan stond bij de ingang van de poort van Jozua, de bestuurder van de stad.
Die lag links als je de stadspoort binnenging.
De offerhoogten waar die priesters reukwerk gebrand hadden, maakte hij onrein, van Geba tot Berseba.
Ook brak hij de offerhoogten bij de poorten af.
Een daarvan stond bij de ingang van de poort van Jozua, de bestuurder van de stad.
Die lag links als je de stadspoort binnenging.
De priesters van de offerhoogten mochten niet offeren op het altaar van de HEERE in Jeruzalem.
Wel aten zij ongezuurde broden bij hun collega's.
Wel aten zij ongezuurde broden bij hun collega's.
Hij maakte ook Tofeth onrein, in het dal van de zonen van Hinnom.
Zo kon niemand meer zijn zoon of dochter voor Molech door het vuur laten gaan.
Zo kon niemand meer zijn zoon of dochter voor Molech door het vuur laten gaan.
Hij schafte de paarden af die de koningen van Juda aan de zon gewijd hadden.
Die stonden bij de ingang van het huis van de HEERE, bij de kamer van de hoveling Nathan-Melech, in de bijgebouwen.
De wagens van de zon verbrandde hij.
Die stonden bij de ingang van het huis van de HEERE, bij de kamer van de hoveling Nathan-Melech, in de bijgebouwen.
De wagens van de zon verbrandde hij.
De koning brak ook de altaren af op het dak van de bovenzaal van Achaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden.
Hetzelfde deed hij met de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het huis van de HEERE gemaakt had.
Hij verbrijzelde ze daar en gooide het gruis in de beek Kidron.
Hetzelfde deed hij met de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het huis van de HEERE gemaakt had.
Hij verbrijzelde ze daar en gooide het gruis in de beek Kidron.
Ook maakte de koning de offerhoogten onrein die ten oosten van Jeruzalem lagen, rechts van de Berg van het Verderf.
Salomo, de koning van Israël, had ze gebouwd voor Astoreth, de gruwel van de Sidoniërs, en voor Kamos, de gruwel van Moab.
Ook voor Milchom, de gruwel van de Ammonieten, had hij er een gebouwd.
Salomo, de koning van Israël, had ze gebouwd voor Astoreth, de gruwel van de Sidoniërs, en voor Kamos, de gruwel van Moab.
Ook voor Milchom, de gruwel van de Ammonieten, had hij er een gebouwd.
Hij sloeg ook de gewijde stenen stuk en hakte de gewijde palen om.
De plaatsen daarvan vulde hij met mensenbeenderen.
De plaatsen daarvan vulde hij met mensenbeenderen.
Ook het altaar in Bethel brak hij af, met de offerhoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat, gemaakt had, die Israël tot zonde bracht.
Hij verbrandde de offerhoogte en verpulverde die tot stof; ook de gewijde paal verbrandde hij.
Hij verbrandde de offerhoogte en verpulverde die tot stof; ook de gewijde paal verbrandde hij.
Toen Josia zich omdraaide, zag hij de graven op de berg.
Hij liet de beenderen uit die graven halen en verbrandde ze op het altaar.
Zo maakte hij het onrein, zoals de HEERE gezegd had door de man van God die dit aangekondigd had.
Hij liet de beenderen uit die graven halen en verbrandde ze op het altaar.
Zo maakte hij het onrein, zoals de HEERE gezegd had door de man van God die dit aangekondigd had.
Verder vroeg hij: Wat is dat voor grafteken dat ik daar zie?
De mensen van de stad zeiden tegen hem: Dat is het graf van de man van God die uit Juda kwam.
Hij heeft aangekondigd wat u met dit altaar in Bethel gedaan hebt.
De mensen van de stad zeiden tegen hem: Dat is het graf van de man van God die uit Juda kwam.
Hij heeft aangekondigd wat u met dit altaar in Bethel gedaan hebt.
Hij zei: Laat hem liggen.
Niemand mag zijn beenderen aanraken.
Zo lieten zij zijn beenderen met rust, en ook die van de profeet uit Samaria.
Niemand mag zijn beenderen aanraken.
Zo lieten zij zijn beenderen met rust, en ook die van de profeet uit Samaria.
Josia haalde ook alle tempels op de offerhoogten weg in de steden van Samaria.
De koningen van Israël hadden die gebouwd en zo de toorn van de HEERE opgewekt.
Hij deed daarmee net als in Bethel.
De koningen van Israël hadden die gebouwd en zo de toorn van de HEERE opgewekt.
Hij deed daarmee net als in Bethel.
Alle priesters van de offerhoogten die daar waren, doodde hij op de altaren.
Daar verbrandde hij mensenbeenderen op.
Daarna ging hij terug naar Jeruzalem.
Daar verbrandde hij mensenbeenderen op.
Daarna ging hij terug naar Jeruzalem.
Het pascha van Josia
De koning gaf het hele volk bevel: Vier het pascha voor de HEERE, jullie God, zoals het in dit boek van het verbond beschreven staat.
Zo'n pascha was er niet meer gevierd sinds de tijd van de richters die Israël leidden.
Ook niet in de tijd van de koningen van Israël en van Juda.
Ook niet in de tijd van de koningen van Israël en van Juda.
Pas in het achttiende jaar van koning Josia werd dit pascha voor de HEERE in Jeruzalem gevierd.
Josia deed ook de waarzeggers, de geestenbezweerders, de terafim, de drekgoden en alle gruwelen weg die in Juda en Jeruzalem te zien waren.
Zo bevestigde hij de woorden van de wet uit het boek dat de priester Hilkia in het huis van de HEERE gevonden had.
Zo bevestigde hij de woorden van de wet uit het boek dat de priester Hilkia in het huis van de HEERE gevonden had.
Er was vóór hem geen koning zoals hij.
Hij bekeerde zich tot de HEERE met heel zijn hart, heel zijn ziel en heel zijn kracht, naar heel de wet van Mozes.
Ook na hem stond er niemand op zoals hij.
Hij bekeerde zich tot de HEERE met heel zijn hart, heel zijn ziel en heel zijn kracht, naar heel de wet van Mozes.
Ook na hem stond er niemand op zoals hij.
De toorn over Juda blijft
Toch bleef de HEERE hevig toornig op Juda.
Zijn toorn was ontbrand om alles waarmee Manasse Hem getergd had.
Zijn toorn was ontbrand om alles waarmee Manasse Hem getergd had.
De HEERE zei: Ook Juda zal ik bij mij wegsturen, zoals ik Israël heb weggestuurd.
Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die ik gekozen heb, en ook het huis waarvan ik gezegd heb: Daar zal mijn Naam wonen.
Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die ik gekozen heb, en ook het huis waarvan ik gezegd heb: Daar zal mijn Naam wonen.
Wat verder over Josia te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda.
In zijn tijd trok Farao Necho, de koning van Egypte, op naar de rivier de Eufraat, tegen de koning van Assyrië.
Koning Josia ging hem tegemoet.
Maar Necho doodde hem bij Megiddo, zodra hij hem zag.
Koning Josia ging hem tegemoet.
Maar Necho doodde hem bij Megiddo, zodra hij hem zag.
Zijn dienaren brachten hem dood op een wagen van Megiddo naar Jeruzalem en begroeven hem in zijn graf.
Het volk van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader.
Het volk van het land nam Joahaz, de zoon van Josia, zalfde hem en maakte hem koning in de plaats van zijn vader.
Joahaz en Jojakim
Joahaz was 23 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde drie maanden in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Hamutal en was een dochter van Jeremia uit Libna.
Zijn moeder heette Hamutal en was een dochter van Jeremia uit Libna.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als zijn voorouders.
Farao Necho liet hem gevangenzetten in Ribla, in het land Hamath, zodat hij niet in Jeruzalem kon regeren.
Hij legde het land een boete op van ongeveer 3.400 kilo zilver en ongeveer 34 kilo goud.
Hij legde het land een boete op van ongeveer 3.400 kilo zilver en ongeveer 34 kilo goud.
Farao Necho maakte Eljakim, de zoon van Josia, koning in de plaats van zijn vader.
Hij veranderde zijn naam in Jojakim.
Joahaz nam hij mee naar Egypte, en daar stierf hij.
Hij veranderde zijn naam in Jojakim.
Joahaz nam hij mee naar Egypte, en daar stierf hij.
Jojakim betaalde het zilver en het goud aan Farao.
Daarvoor legde hij het land een belasting op.
Van iedereen in het land eiste hij zilver en goud, ieder naar wat hij bezat, om aan Farao Necho te geven.
Daarvoor legde hij het land een belasting op.
Van iedereen in het land eiste hij zilver en goud, ieder naar wat hij bezat, om aan Farao Necho te geven.
Jojakim was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde elf jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Zebudda en was een dochter van Pedaja uit Ruma.
Zijn moeder heette Zebudda en was een dochter van Pedaja uit Ruma.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, net als zijn voorouders.