Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

2 Koningen 22

Het wetboek wordt gevonden

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Josia laat de tempel herstellen
Josia was acht jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 31 jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Jedida en was een dochter van Adaja uit Bozkath.
Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE.
Hij volgde helemaal de weg van zijn vader David en week niet af naar rechts of naar links.
In het achttiende jaar van koning Josia stuurde de koning de schrijver Safan naar het huis van de HEERE.
Safan was de zoon van Azalia, de zoon van Mesullam.
De koning zei tegen hem:
Ga naar de hogepriester Hilkia.
Laat hem het geld tellen dat in het huis van de HEERE is gebracht en dat de drempelwachters bij het volk hebben opgehaald.

Laat hen dat geld geven aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE.
Die moeten het geven aan de werklieden die de schade aan het huis herstellen.

Het is voor de timmerlieden, de bouwers en de metselaars.
Ook moeten zij er hout en gehouwen steen van kopen voor het herstel van het huis.

Er hoefde van dat geld geen rekening afgelegd te worden, want de mannen gingen er eerlijk mee om.
Het wetboek gevonden
Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek gevonden in het huis van de HEERE.
Hilkia gaf het boek aan Safan, en die las het.
Daarna kwam de schrijver Safan bij de koning en bracht verslag uit.
Hij zei: Uw dienaren hebben het geld uit het huis bij elkaar gebracht.
Zij hebben het gegeven aan de opzichters van het werk aan het huis van de HEERE.

Ook vertelde de schrijver Safan de koning: De priester Hilkia heeft mij een boek gegeven.
En Safan las het voor aan de koning.
Toen de koning de woorden van het wetboek hoorde, scheurde hij zijn kleren.
De koning gaf bevel aan de priester Hilkia en aan Ahikam, de zoon van Safan.
Ook Achbor, de zoon van Michaja, de schrijver Safan en Asaja, de dienaar van de koning, kregen dat bevel.
Hij zei:
Ga de HEERE raadplegen voor mij, voor het volk en voor heel Juda, over de woorden van dit boek dat gevonden is.
Want de toorn van de HEERE tegen ons is groot.
Onze voorouders hebben niet geluisterd naar de woorden van dit boek en niet gedaan wat erin staat.

De profetes Hulda
Toen gingen de priester Hilkia, Ahikam, Achbor, Safan en Asaja naar de profetes Hulda.
Zij was de vrouw van Sallum, de zoon van Tikva, de zoon van Harhas, de beheerder van de kleren.
Zij woonde in de nieuwe wijk van Jeruzalem.
Daar spraken zij met haar.
Zij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zeg tegen de man die jullie naar mij toe gestuurd heeft:
Zo zegt de HEERE: Ik breng onheil over deze plaats en over haar inwoners.
Alles wat in het boek staat dat de koning van Juda gelezen heeft, zal gebeuren.

Want zij hebben mij verlaten en reukwerk gebrand voor andere goden.
Met alles wat zij gemaakt hebben, wekken zij mijn toorn op.
Daarom ontbrandt mijn toorn tegen deze plaats, en die zal niet gedoofd worden.

Maar de koning van Juda heeft jullie gestuurd om de HEERE te raadplegen.
Zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van Israël, over de woorden die je gehoord hebt:
Je hart is zacht geworden en je hebt je vernederd voor de HEERE.
Want je hoorde wat ik gezegd heb over deze plaats en haar inwoners: dat zij een puinhoop en een vloek zullen worden.
Je hebt je kleren gescheurd en voor mij gehuild.
Daarom heb ik je gehoord, spreekt de HEERE.

Kijk, ik zal je bij je voorouders brengen.
Je zult in vrede in je graf komen.
Je ogen zullen al het onheil niet zien dat ik over deze plaats breng.

Zij brachten dit antwoord terug bij de koning.

Download hoofdstuk als tekstbestand