Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Koningen 18
Hizkia en de opperschenker van Assyrië
Hizkia koning van Juda
In het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, werd Hizkia koning.
Hij was de zoon van Achaz, de koning van Juda.
Hij was de zoon van Achaz, de koning van Juda.
Hij was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 29 jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Abi en was een dochter van Zacharia.
Zijn moeder heette Abi en was een dochter van Zacharia.
Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, net zoals zijn vader David gedaan had.
Hij haalde de offerhoogten weg, sloeg de gewijde stenen stuk en hakte de gewijde palen om.
Ook verbrijzelde hij de koperen slang die Mozes gemaakt had.
Tot in die tijd hadden de Israëlieten daarvoor reukwerk gebrand.
Hij noemde die slang Nehustan.
Ook verbrijzelde hij de koperen slang die Mozes gemaakt had.
Tot in die tijd hadden de Israëlieten daarvoor reukwerk gebrand.
Hij noemde die slang Nehustan.
Hij vertrouwde op de HEERE, de God van Israël.
Onder alle koningen van Juda was er niemand als hij, niet na hem en niet vóór hem.
Onder alle koningen van Juda was er niemand als hij, niet na hem en niet vóór hem.
Hij bleef de HEERE trouw en week niet van Hem af.
Hij hield zich aan de geboden die de HEERE aan Mozes gegeven had.
Hij hield zich aan de geboden die de HEERE aan Mozes gegeven had.
De HEERE was met hem.
Overal waar hij heen trok, had hij succes.
Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet meer.
Overal waar hij heen trok, had hij succes.
Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet meer.
Hij versloeg de Filistijnen tot aan Gaza en in hun hele gebied, van de wachttoren tot de vestingstad.
Samaria valt en Sanherib komt
In het vierde jaar van koning Hizkia trok Salmaneser, de koning van Assyrië, op tegen Samaria en belegerde de stad.
Dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël.
Dat was het zevende jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël.
Na drie jaar namen zij de stad in.
Dat was in het zesde jaar van Hizkia en het negende jaar van Hosea, de koning van Israël.
Dat was in het zesde jaar van Hizkia en het negende jaar van Hosea, de koning van Israël.
De koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië.
Hij bracht hen naar Halah, naar Habor aan de rivier Gozan, en naar de steden van de Meden.
Hij bracht hen naar Halah, naar Habor aan de rivier Gozan, en naar de steden van de Meden.
Dat gebeurde omdat zij niet geluisterd hadden naar de HEERE, hun God.
Zij hadden Zijn verbond overtreden.
Alles wat Mozes, de dienaar van de HEERE, geboden had, hadden zij niet gedaan.
Zij hadden Zijn verbond overtreden.
Alles wat Mozes, de dienaar van de HEERE, geboden had, hadden zij niet gedaan.
In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle vestingsteden van Juda en nam ze in.
Toen stuurde Hizkia, de koning van Juda, een bericht naar de koning van Assyrië in Lachis: Ik heb verkeerd gedaan.
Trek bij mij weg.
Wat u mij oplegt, zal ik betalen.
De koning van Assyrië legde Hizkia ongeveer 10.000 kilo zilver en ongeveer 1.000 kilo goud op.
Trek bij mij weg.
Wat u mij oplegt, zal ik betalen.
De koning van Assyrië legde Hizkia ongeveer 10.000 kilo zilver en ongeveer 1.000 kilo goud op.
Hizkia gaf al het zilver dat in het huis van de HEERE en in de schatkamers van het paleis lag.
In die tijd sneed Hizkia het goud af van de deuren van de tempel van de HEERE.
Ook haalde hij het goud van de deurposten die hij zelf had laten overtrekken.
Dat gaf hij aan de koning van Assyrië.
Ook haalde hij het goud van de deurposten die hij zelf had laten overtrekken.
Dat gaf hij aan de koning van Assyrië.
De opperschenker bespot Jeruzalem
Toch stuurde de koning van Assyrië zijn opperbevelhebber, zijn hoofdofficier en zijn opperschenker met een groot leger van Lachis naar koning Hizkia in Jeruzalem.
Zij trokken op en kwamen bij Jeruzalem.
Daar bleven zij staan bij de waterleiding van de bovenste vijver, aan de weg naar het Bleekveld.
Zij trokken op en kwamen bij Jeruzalem.
Daar bleven zij staan bij de waterleiding van de bovenste vijver, aan de weg naar het Bleekveld.
Zij riepen om de koning.
Toen kwamen Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, naar hen toe.
Toen kwamen Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, naar hen toe.
De opperschenker zei tegen hen: Zeg tegen Hizkia: Zo zegt de grote koning, de koning van Assyrië: Waar vertrouw je toch op?
Je zegt wel dat je een plan hebt en macht om oorlog te voeren, maar dat zijn loze woorden.
Op wie vertrouw je dan, dat je tegen mij in opstand komt?
Op wie vertrouw je dan, dat je tegen mij in opstand komt?
Kijk, je vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstok.
Wie daarop leunt, krijgt hem in zijn hand en wordt doorboord.
Zo is Farao, de koning van Egypte, voor iedereen die op hem vertrouwt.
Wie daarop leunt, krijgt hem in zijn hand en wordt doorboord.
Zo is Farao, de koning van Egypte, voor iedereen die op hem vertrouwt.
Misschien zeg je tegen mij: Wij vertrouwen op de HEERE, onze God.
Maar is dat niet de God van wie Hizkia de offerhoogten en de altaren heeft weggehaald?
Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar in Jeruzalem moeten jullie buigen.
Maar is dat niet de God van wie Hizkia de offerhoogten en de altaren heeft weggehaald?
Hij heeft tegen Juda en Jeruzalem gezegd: Voor dit altaar in Jeruzalem moeten jullie buigen.
Ga daarom een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assyrië.
Ik geef je 2.000 paarden, als jij er ruiters voor kunt vinden.
Ik geef je 2.000 paarden, als jij er ruiters voor kunt vinden.
Hoe zou je zelfs de minste dienaar van mijn heer kunnen tegenhouden?
En toch vertrouw je op Egypte voor wagens en ruiters.
En toch vertrouw je op Egypte voor wagens en ruiters.
Ben ik soms zonder de HEERE tegen deze plaats opgetrokken om die te verwoesten?
De HEERE heeft zelf tegen mij gezegd: Trek op tegen dat land en verwoest het.
De HEERE heeft zelf tegen mij gezegd: Trek op tegen dat land en verwoest het.
Toen zeiden Eljakim, de zoon van Hilkia, Sebna en Joah tegen de opperschenker: Spreek toch Aramees tegen uw dienaren, want dat verstaan wij.
Spreek geen Judees, terwijl het volk op de muur meeluistert.
Spreek geen Judees, terwijl het volk op de muur meeluistert.
Maar de opperschenker zei tegen hen: Heeft mijn heer mij alleen naar jullie heer en naar jullie gestuurd om dit te zeggen?
Hij heeft mij juist gestuurd naar de mannen op de muur.
Zij zullen hun eigen poep eten en hun eigen urine drinken, net als jullie.
Hij heeft mij juist gestuurd naar de mannen op de muur.
Zij zullen hun eigen poep eten en hun eigen urine drinken, net als jullie.
Toen ging de opperschenker staan en riep met luide stem in het Judees: Luister naar het woord van de grote koning, de koning van Assyrië!
Zo zegt de koning: Laat Hizkia jullie niet bedriegen, want hij kan jullie niet uit mijn macht redden.
Laat Hizkia jullie niet op de HEERE laten vertrouwen.
Hij zegt wel: De HEERE zal ons zeker redden, en deze stad komt niet in de macht van de koning van Assyrië.
Hij zegt wel: De HEERE zal ons zeker redden, en deze stad komt niet in de macht van de koning van Assyrië.
Luister niet naar Hizkia.
Want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit vrede met mij en kom naar mij toe.
Dan zal ieder van jullie eten van zijn eigen wijnstok en zijn eigen vijgenboom, en drinken uit zijn eigen put.
Want zo zegt de koning van Assyrië: Sluit vrede met mij en kom naar mij toe.
Dan zal ieder van jullie eten van zijn eigen wijnstok en zijn eigen vijgenboom, en drinken uit zijn eigen put.
Dat duurt tot ik kom en jullie meeneem naar een land als dat van jullie.
Het is een land met koren en jonge wijn, met brood en wijngaarden, met olijfbomen, olie en honing.
Dan zullen jullie leven en niet sterven.
Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt jullie als hij zegt: De HEERE zal ons redden.
Het is een land met koren en jonge wijn, met brood en wijngaarden, met olijfbomen, olie en honing.
Dan zullen jullie leven en niet sterven.
Luister niet naar Hizkia, want hij misleidt jullie als hij zegt: De HEERE zal ons redden.
Heeft ooit een god van een volk zijn land gered uit de macht van de koning van Assyrië?
Waar zijn de goden van Hamath en Arpad?
Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva?
Hebben zij Samaria uit mijn macht gered?
Waar zijn de goden van Sefarvaim, Hena en Ivva?
Hebben zij Samaria uit mijn macht gered?
Welke van alle goden van die landen heeft zijn land uit mijn macht gered?
Zou de HEERE Jeruzalem dan wel uit mijn macht redden?
Zou de HEERE Jeruzalem dan wel uit mijn macht redden?
Maar het volk zweeg en antwoordde hem geen woord.
De koning had namelijk bevolen: Geef hem geen antwoord.
De koning had namelijk bevolen: Geef hem geen antwoord.
Toen kwamen Eljakim, de zoon van Hilkia, de hofmeester, Sebna, de schrijver, en Joah, de zoon van Asaf, de kanselier, bij Hizkia.
Hun kleren waren gescheurd, en zij vertelden hem wat de opperschenker gezegd had.
Hun kleren waren gescheurd, en zij vertelden hem wat de opperschenker gezegd had.