Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Koningen 17
Samaria valt
Hosea, de laatste koning van Israël
In het twaalfde jaar van Achaz, de koning van Juda, werd Hosea, de zoon van Ela, koning over Israël in Samaria.
Hij regeerde negen jaar.
Hij regeerde negen jaar.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, maar niet zoals de koningen van Israël die er vóór hem geweest waren.
Salmaneser, de koning van Assyrië, trok tegen hem op.
Hosea werd zijn onderdaan en moest hem schatting betalen.
Hosea werd zijn onderdaan en moest hem schatting betalen.
Maar de koning van Assyrië ontdekte een samenzwering.
Hosea had boden gestuurd naar So, de koning van Egypte, en hij bracht de schatting niet meer op zoals elk jaar.
Daarom liet de koning van Assyrië hem opsluiten in de gevangenis.
Hosea had boden gestuurd naar So, de koning van Egypte, en hij bracht de schatting niet meer op zoals elk jaar.
Daarom liet de koning van Assyrië hem opsluiten in de gevangenis.
De koning van Assyrië trok door het hele land.
Hij kwam naar Samaria en belegerde die stad drie jaar.
Hij kwam naar Samaria en belegerde die stad drie jaar.
In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assyrië Samaria in.
Hij voerde Israël weg naar Assyrië.
Hij liet hen wonen in Halah, in Habor aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
Hij voerde Israël weg naar Assyrië.
Hij liet hen wonen in Halah, in Habor aan de rivier Gozan, en in de steden van de Meden.
Waarom Israël werd weggevoerd
Dit gebeurde omdat de Israëlieten gezondigd hadden tegen de HEERE, hun God.
Hij had hen uit Egypte geleid, uit de macht van Farao, de koning van Egypte.
Toch vereerden zij andere goden.
Hij had hen uit Egypte geleid, uit de macht van Farao, de koning van Egypte.
Toch vereerden zij andere goden.
Zij leefden naar de gewoonten van de volken die de HEERE voor hen verdreven had.
Ook volgden zij de gewoonten die de koningen van Israël hadden ingevoerd.
Ook volgden zij de gewoonten die de koningen van Israël hadden ingevoerd.
De Israëlieten bedachten in het geheim dingen die niet goed waren tegenover de HEERE, hun God.
Zij bouwden offerhoogten in al hun steden, van de wachttoren tot de vestingstad.
Zij bouwden offerhoogten in al hun steden, van de wachttoren tot de vestingstad.
Zij richtten voor zichzelf gewijde stenen en gewijde palen op, op elke hoge heuvel en onder elke bladerrijke boom.
Daar brandden zij reukwerk op alle offerhoogten, zoals de volken die de HEERE voor hen weggevoerd had.
Zij deden slechte dingen en wekten zo de toorn van de HEERE op.
Zij deden slechte dingen en wekten zo de toorn van de HEERE op.
Zij dienden de drekgoden, terwijl de HEERE tegen hen gezegd had: Dit mogen jullie niet doen.
De HEERE had Israël en Juda gewaarschuwd door al Zijn profeten en zieners.
Hij had gezegd: Bekeer je van je slechte wegen.
Houd je aan mijn geboden en voorschriften, aan heel de wet die ik jullie voorouders gegeven heb.
Die wet heb ik jullie gestuurd door mijn dienaren, de profeten.
Hij had gezegd: Bekeer je van je slechte wegen.
Houd je aan mijn geboden en voorschriften, aan heel de wet die ik jullie voorouders gegeven heb.
Die wet heb ik jullie gestuurd door mijn dienaren, de profeten.
Maar zij luisterden niet.
Zij waren koppig, net als hun voorouders, die niet op de HEERE, hun God, vertrouwden.
Zij waren koppig, net als hun voorouders, die niet op de HEERE, hun God, vertrouwden.
Zij verwierpen Zijn voorschriften en Zijn verbond, dat Hij met hun voorouders gesloten had.
Ook verwierpen zij Zijn waarschuwingen.
Zij liepen achter waardeloze goden aan en werden zelf waardeloos.
Zij volgden de volken om hen heen, terwijl de HEERE hun verboden had dat te doen.
Ook verwierpen zij Zijn waarschuwingen.
Zij liepen achter waardeloze goden aan en werden zelf waardeloos.
Zij volgden de volken om hen heen, terwijl de HEERE hun verboden had dat te doen.
Zij verlieten alle geboden van de HEERE, hun God.
Zij maakten twee gegoten kalveren en gewijde palen.
Zij bogen zich voor alle sterren van de hemel en dienden Baäl.
Zij maakten twee gegoten kalveren en gewijde palen.
Zij bogen zich voor alle sterren van de hemel en dienden Baäl.
Zij lieten hun zonen en dochters door het vuur gaan.
Zij deden aan waarzeggerij en wichelarij.
Zij gaven zich over aan wat slecht was in de ogen van de HEERE en wekten zo Zijn toorn op.
Zij deden aan waarzeggerij en wichelarij.
Zij gaven zich over aan wat slecht was in de ogen van de HEERE en wekten zo Zijn toorn op.
Daarom werd de HEERE heel boos op Israël en stuurde Hij hen bij zich weg.
Alleen de stam Juda bleef over.
Alleen de stam Juda bleef over.
Ook Juda hield zich niet aan de geboden van de HEERE, hun God.
Zij leefden naar de gewoonten die Israël had ingevoerd.
Zij leefden naar de gewoonten die Israël had ingevoerd.
Zo verwierp de HEERE het hele nageslacht van Israël.
Hij vernederde hen en gaf hen in de macht van rovers, tot Hij hen bij zich had weggestuurd.
Hij vernederde hen en gaf hen in de macht van rovers, tot Hij hen bij zich had weggestuurd.
Want Hij had Israël losgescheurd van het huis van David, en zij maakten Jerobeam, de zoon van Nebat, koning.
Jerobeam trok Israël weg bij de HEERE en bracht hen tot een grote zonde.
Jerobeam trok Israël weg bij de HEERE en bracht hen tot een grote zonde.
De Israëlieten leefden in alle zonden die Jerobeam gedaan had.
Daar braken zij niet mee.
Daar braken zij niet mee.
Zo stuurde de HEERE Israël uiteindelijk bij zich weg, zoals Hij door al Zijn dienaren, de profeten, gezegd had.
Israël werd uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op de dag van vandaag.
Israël werd uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op de dag van vandaag.
Nieuwe bewoners in Samaria
De koning van Assyrië bracht mensen uit Babel, Chuta, Avva, Hamath en Sefarvaim.
Hij liet hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de Israëlieten.
Zij namen Samaria in bezit en woonden in de steden.
Hij liet hen wonen in de steden van Samaria, in de plaats van de Israëlieten.
Zij namen Samaria in bezit en woonden in de steden.
In het begin van hun verblijf daar vereerden zij de HEERE niet.
Daarom stuurde de HEERE leeuwen op hen af, die sommigen van hen doodden.
Daarom stuurde de HEERE leeuwen op hen af, die sommigen van hen doodden.
Daarom zeiden zij tegen de koning van Assyrië: U hebt volken weggevoerd en in de steden van Samaria laten wonen.
Zij kennen de regels van de God van dat land niet.
Daarom heeft Hij leeuwen op hen afgestuurd, die hen doden.
Zij kennen de regels van de God van dat land niet.
Daarom heeft Hij leeuwen op hen afgestuurd, die hen doden.
Toen gaf de koning van Assyrië bevel: Breng een van de priesters terug die jullie daar hebben weggevoerd.
Laat hij daar gaan wonen en hun de regels van de God van dat land leren.
Laat hij daar gaan wonen en hun de regels van de God van dat land leren.
Zo kwam een van de priesters die uit Samaria waren weggevoerd.
Hij ging in Bethel wonen en leerde hun hoe zij de HEERE moesten vereren.
Hij ging in Bethel wonen en leerde hun hoe zij de HEERE moesten vereren.
Maar elk volk maakte zijn eigen goden.
Die zetten zij neer in de tempels op de offerhoogten die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in de steden waar zij woonden.
Die zetten zij neer in de tempels op de offerhoogten die de Samaritanen gemaakt hadden, elk volk in de steden waar zij woonden.
De mensen uit Babel maakten Sukkoth-Benoth, de mensen uit Chut maakten Nergal, en de mensen uit Hamath maakten Asima.
De Avieten maakten Nibhaz en Tartak.
De Sefarvieten verbrandden hun zonen in het vuur voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim.
De Sefarvieten verbrandden hun zonen in het vuur voor Adramelech en Anamelech, de goden van Sefarvaim.
Zij vereerden ook de HEERE.
Uit hun eigen midden stelden zij priesters voor de offerhoogten aan, die daar voor hen dienden.
Uit hun eigen midden stelden zij priesters voor de offerhoogten aan, die daar voor hen dienden.
Zij vereerden de HEERE, maar dienden ook hun eigen goden, naar de gewoonten van de volken waaruit zij waren weggevoerd.
Tot op de dag van vandaag doen zij naar hun oude gewoonten.
Zij vereren de HEERE niet.
Zij houden zich niet aan de voorschriften, de regels, de wet en het gebod van de HEERE.
Die had Hij gegeven aan de kinderen van Jakob, aan wie Hij de naam Israël gaf.
Zij vereren de HEERE niet.
Zij houden zich niet aan de voorschriften, de regels, de wet en het gebod van de HEERE.
Die had Hij gegeven aan de kinderen van Jakob, aan wie Hij de naam Israël gaf.
Toch had de HEERE een verbond met hen gesloten.
Hij had hun geboden: Jullie mogen geen andere goden vereren.
Buig je niet voor hen, dien hen niet en breng hun geen offers.
Hij had hun geboden: Jullie mogen geen andere goden vereren.
Buig je niet voor hen, dien hen niet en breng hun geen offers.
Alleen de HEERE moeten jullie vereren.
Hij heeft jullie met grote kracht en een uitgestrekte arm uit Egypte geleid.
Voor Hem moeten jullie buigen en aan Hem moeten jullie offers brengen.
Hij heeft jullie met grote kracht en een uitgestrekte arm uit Egypte geleid.
Voor Hem moeten jullie buigen en aan Hem moeten jullie offers brengen.
Houd je altijd aan de voorschriften, de regels, de wet en het gebod die Hij voor jullie heeft opgeschreven.
Vereer geen andere goden.
Vereer geen andere goden.
Vergeet het verbond niet dat ik met jullie gesloten heb, en vereer geen andere goden.
Vereer alleen de HEERE, jullie God.
Dan zal Hij jullie redden uit de macht van al jullie vijanden.
Dan zal Hij jullie redden uit de macht van al jullie vijanden.
Maar zij luisterden niet; zij deden naar hun oude gewoonte.
Deze volken vereerden de HEERE en dienden tegelijk hun beelden.
Hun kinderen en kleinkinderen doen tot op de dag van vandaag hetzelfde als hun voorouders.
Hun kinderen en kleinkinderen doen tot op de dag van vandaag hetzelfde als hun voorouders.