Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
2 Koningen 15
Koningen van Juda en Israël
Azaria koning van Juda
In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria koning.
Hij was de zoon van Amazia, de koning van Juda.
Hij was de zoon van Amazia, de koning van Juda.
Hij was zestien jaar toen hij koning werd, en hij regeerde 52 jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Jecholia en kwam uit Jeruzalem.
Zijn moeder heette Jecholia en kwam uit Jeruzalem.
Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE, net zoals zijn vader Amazia gedaan had.
Alleen werden de offerhoogten niet weggehaald.
Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden.
Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden.
De HEERE trof de koning, zodat hij melaats werd tot de dag van zijn dood.
Hij woonde in een apart huis.
Jotham, de zoon van de koning, had de leiding over het paleis en bestuurde het volk van het land.
Hij woonde in een apart huis.
Jotham, de zoon van de koning, had de leiding over het paleis en bestuurde het volk van het land.
Wat verder over Azaria te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda.
Azaria ging bij zijn voorouders te ruste, en men begroef hem bij hen in de stad van David.
Zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
Zijn zoon Jotham werd koning in zijn plaats.
Zacharia en Sallum
In het achtendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Zacharia, de zoon van Jerobeam, koning over Israël in Samaria.
Hij regeerde zes maanden.
Hij regeerde zes maanden.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, zoals zijn voorouders gedaan hadden.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
Sallum, de zoon van Jabes, smeedde een samenzwering tegen hem.
Hij sloeg hem neer voor de ogen van het volk en doodde hem.
Daarna werd hij koning in zijn plaats.
Hij sloeg hem neer voor de ogen van het volk en doodde hem.
Daarna werd hij koning in zijn plaats.
Wat verder over Zacharia te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
Zo ging het woord van de HEERE in vervulling.
Hij had tegen Jehu gezegd: Je zonen zullen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten.
Hij had tegen Jehu gezegd: Je zonen zullen tot in het vierde geslacht op de troon van Israël zitten.
Sallum, de zoon van Jabes, werd koning in het negenendertigste jaar van Uzzia, de koning van Juda.
Hij regeerde een volle maand in Samaria.
Hij regeerde een volle maand in Samaria.
Want Menahem, de zoon van Gadi, trok op uit Tirza.
Hij kwam in Samaria, sloeg Sallum, de zoon van Jabes, daar neer en doodde hem.
Toen werd hij koning in zijn plaats.
Hij kwam in Samaria, sloeg Sallum, de zoon van Jabes, daar neer en doodde hem.
Toen werd hij koning in zijn plaats.
Wat verder over Sallum en zijn samenzwering te vertellen is, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
Toen versloeg Menahem Tifsah met iedereen die daar was, en ook het gebied vanaf Tirza.
Hij deed dat omdat de stad niet voor hem open was gegaan.
Alle zwangere vrouwen liet hij openrijten.
Hij deed dat omdat de stad niet voor hem open was gegaan.
Alle zwangere vrouwen liet hij openrijten.
Menahem en Pekahia
In het negenendertigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Menahem, de zoon van Gadi, koning over Israël.
Hij regeerde tien jaar in Samaria.
Hij regeerde tien jaar in Samaria.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.
Zijn leven lang brak hij niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
Zijn leven lang brak hij niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
Toen kwam Pul, de koning van Assyrië, het land binnen.
Menahem gaf Pul ongeveer 34.000 kilo zilver, zodat hij hem zou steunen en zijn koningschap vast zou staan.
Menahem gaf Pul ongeveer 34.000 kilo zilver, zodat hij hem zou steunen en zijn koningschap vast zou staan.
Menahem haalde dat geld op bij alle rijke mannen in Israël, ongeveer 550 gram zilver per man.
Zo kon hij de koning van Assyrië betalen.
Toen ging de koning van Assyrië terug en bleef niet in het land.
Zo kon hij de koning van Assyrië betalen.
Toen ging de koning van Assyrië terug en bleef niet in het land.
Wat verder over Menahem te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
Menahem ging bij zijn voorouders te ruste, en zijn zoon Pekahia werd koning in zijn plaats.
In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahia, de zoon van Menahem, koning over Israël.
Hij regeerde twee jaar in Samaria.
Hij regeerde twee jaar in Samaria.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
Pekah, de zoon van Remalia, was zijn officier.
Hij smeedde een samenzwering tegen hem en sloeg hem neer in Samaria, in het paleis.
Argob en Arje waren bij hem, en 50 mannen uit Gilead.
Zo doodde hij hem en werd koning in zijn plaats.
Hij smeedde een samenzwering tegen hem en sloeg hem neer in Samaria, in het paleis.
Argob en Arje waren bij hem, en 50 mannen uit Gilead.
Zo doodde hij hem en werd koning in zijn plaats.
Wat verder over Pekahia te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
Pekah en Jotham
In het tweeënvijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekah, de zoon van Remalia, koning over Israël.
Hij regeerde twintig jaar in Samaria.
Hij regeerde twintig jaar in Samaria.
Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
Hij brak niet met de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël tot zonde had gebracht.
In de tijd van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pilezer, de koning van Assyrië.
Hij nam Ijon in, en ook Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead en Galilea, het hele gebied van Nafthali.
De bewoners voerde hij weg naar Assyrië.
Hij nam Ijon in, en ook Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead en Galilea, het hele gebied van Nafthali.
De bewoners voerde hij weg naar Assyrië.
Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia.
Hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats.
Dat was in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia.
Hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning in zijn plaats.
Dat was in het twintigste jaar van Jotham, de zoon van Uzzia.
Wat verder over Pekah te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Israël.
In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning.
Hij was de zoon van Uzzia, de koning van Juda.
Hij was de zoon van Uzzia, de koning van Juda.
Hij was 25 jaar toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar in Jeruzalem.
Zijn moeder heette Jerusa en was een dochter van Zadok.
Zijn moeder heette Jerusa en was een dochter van Zadok.
Hij deed wat juist was in de ogen van de HEERE.
Hij deed alles zoals zijn vader Uzzia het gedaan had.
Hij deed alles zoals zijn vader Uzzia het gedaan had.
Alleen werden de offerhoogten niet weggehaald.
Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden.
Jotham bouwde de bovenste poort van het huis van de HEERE.
Het volk bleef daar offeren en reukwerk branden.
Jotham bouwde de bovenste poort van het huis van de HEERE.
Wat verder over Jotham te vertellen is en alles wat hij deed, staat in het boek van de kronieken van de koningen van Juda.
In die tijd begon de HEERE Rezin, de koning van Syrië, en Pekah, de zoon van Remalia, op Juda af te sturen.
Jotham ging bij zijn voorouders te ruste en werd bij hen begraven in de stad van zijn vader David.
Zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.
Zijn zoon Achaz werd koning in zijn plaats.