Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Kronieken 25

De zangers en de muzikanten

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
De families van Asaf, Jeduthun en Heman
David en de legeraanvoerders zonderden mannen uit de families van Asaf, Heman en Jeduthun af voor de dienst.
Zij moesten profeteren met harpen, luiten en cimbalen.
Dit is de lijst van de mannen die dat werk deden.
Uit de familie van Asaf waren dat Zakkur, Jozef, Nethanja en Asarela.
Zij stonden onder leiding van Asaf, die profeteerde onder leiding van de koning.
Uit de familie van Jeduthun waren dat Gedalja, Zeri, Jesaja, Hasabja en Mattithja: zes in totaal.
Zij stonden onder leiding van hun vader Jeduthun, die op de harp profeteerde en de HEERE dankte en prees.
Uit de familie van Heman waren dat Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sebuël, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, Romamthi-Ezer, Josbekasa, Mallothi, Hothir en Mahazioth.
Zij waren allemaal zonen van Heman, de ziener van de koning.
Hij sprak de woorden van God om de hoorn van de koning op te heffen.
God had Heman veertien zonen en drie dochters gegeven.
Zij stonden allemaal onder leiding van hun vader bij de zang in het huis van de HEERE, met cimbalen, luiten en harpen.
Zij deden dienst in het huis van God onder leiding van de koning, van Asaf, Jeduthun en Heman.
Met hun verwanten die geoefend waren in de zang voor de HEERE waren zij met 288, allemaal vakkundige zangers.
Zij wierpen het lot voor hun dienstbeurten, jong en oud, meester en leerling, allemaal gelijk.
De vierentwintig groepen
Het eerste lot viel voor Asaf op Jozef.
Het tweede viel op Gedalja; met zijn verwanten en zonen waren zij met twaalf.
Het derde viel op Zakkur; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het vierde viel op Jizri; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het vijfde viel op Nethanja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het zesde viel op Bukkia; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het zevende viel op Jesarela; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het achtste viel op Jesaja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het negende viel op Mattanja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het tiende viel op Simeï; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het elfde viel op Azareël; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het twaalfde viel op Hasabja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het dertiende viel op Subael; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het veertiende viel op Mattithja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het vijftiende viel op Jeremoth; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het zestiende viel op Hananja; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het zeventiende viel op Josbekasa; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het achttiende viel op Hanani; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het negentiende viel op Mallothi; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het twintigste viel op Eliatha; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het eenentwintigste viel op Hothir; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het tweeëntwintigste viel op Giddalti; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het drieëntwintigste viel op Mahazioth; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.
Het vierentwintigste viel op Romamthi-Ezer; met zijn zonen en verwanten waren zij met twaalf.

Download hoofdstuk als tekstbestand