Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Kronieken 26

De poortwachters en de schatbewaarders

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
De families van de poortwachters
Dit zijn de groepen van de poortwachters.
Uit de familie Korah was dat Meselemja, de zoon van Kore, uit de familie van Asaf.
Meselemja had zonen: Zecharja was de oudste, Jediael de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde,
Elam de vijfde, Johanan de zesde en Eljeöenai de zevende.
Ook Obed-Edom had zonen: Semaja was de oudste, Jozabad de tweede, Joah de derde, Sachar de vierde en Nethaneël de vijfde,
Ammiël de zesde, Issaschar de zevende en Peüllethai de achtste.
God had hem namelijk gezegend.
Zijn zoon Semaja kreeg ook zonen.
Zij hadden de leiding in hun familie, want zij waren dappere mannen.
De zonen van Semaja waren Othni, Refael, Obed en Elzabad.
Zijn verwanten Elihu en Semachja waren ook dappere mannen.
Zij stamden allemaal van Obed-Edom af.
Zij, hun zonen en hun verwanten waren sterke mannen, geschikt voor de dienst.
Van Obed-Edom waren er 62.
Meselemja had zonen en verwanten die ook dappere mannen waren: achttien in totaal.
Hosa uit de familie Merari had zonen.
Simri was het hoofd.
Hij was niet de oudste, maar zijn vader had hem tot hoofd aangesteld.
Hilkia was de tweede, Tebalja de derde en Zecharja de vierde.
Alle zonen en verwanten van Hosa waren met dertien.
De poorten verdeeld door het lot
Zo waren de groepen van de poortwachters ingedeeld, met hun hoofden.
Net als hun verwanten hadden zij wachtdienst in het huis van de HEERE.
Zij wierpen per familie het lot om de poorten te verdelen, jong en oud gelijk.
Het lot voor de oostkant viel op Salemja.
Voor zijn zoon Zecharja, een verstandig raadsman, wierpen zij ook het lot, en dat viel op de noordkant.
Voor Obed-Edom viel het op de zuidkant, en voor zijn zonen op de voorraadkamers.
Voor Suppim en Hosa viel het op de westkant, bij de Schallechetpoort aan de hoger gelegen weg.
De wachtposten stonden tegenover elkaar.
Aan de oostkant stonden zes Levieten.
Aan de noordkant en aan de zuidkant stonden er elke dag vier, en bij de voorraadkamers steeds twee aan twee.
Bij het bijgebouw aan de westkant stonden er vier aan de weg en twee bij het bijgebouw zelf.
Dit waren de groepen poortwachters uit de families Korah en Merari.
De zorg voor de schatten
Van de Levieten had Ahia de zorg voor de schatten van het huis van God en voor de schatten van de gewijde gaven.
Uit de familie van Ladan, de Gersoniet, waren de familiehoofden de nakomelingen van Jehiëli.
De zonen van Jehiëli waren Zetham en zijn broer Joël.
Zij hadden de zorg voor de schatten van het huis van de HEERE.
Ook de families Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël kregen taken.
Sebuël, de zoon van Gersom en kleinzoon van Mozes, had de leiding over de schatten.
Zijn verwanten uit de lijn van Eliëzer waren: zijn zoon Rehabja, diens zoon Jesaja, diens zoon Joram, diens zoon Zichri en diens zoon Selomith.
Deze Selomith en zijn verwanten hadden de zorg voor alle gaven die gewijd waren.
Die kwamen van koning David, van de familiehoofden, van de aanvoerders van duizend en honderd man en van de legeraanvoerders.
Zij hadden die uit de oorlogen en uit de buit gewijd om het huis van de HEERE te onderhouden.
Ook wat de ziener Samuël gewijd had, en Saul, Abner en Joab.
Alles wat iemand gewijd had, viel onder Selomith en zijn verwanten.
Opzichters en rechters
Uit de familie Jizhar hadden Chenanja en zijn zonen taken buiten de tempel.
Zij waren opzichter en rechter in Israël.
Uit de familie Hebron waren Hasabja en zijn verwanten met 1.700 sterke mannen.
Zij hadden het toezicht in Israël ten westen van de Jordaan, voor al het werk van de HEERE en de dienst van de koning.
Uit de familie Hebron was Jeria het hoofd.
In het veertigste jaar van Davids koningschap werd hun geslachtsregister onderzocht, en in Jaëzer in Gilead werden dappere mannen onder hen gevonden.
Zijn verwanten waren 2.700 dappere familiehoofden.
Koning David stelde hen aan over de stammen Ruben en Gad en de halve stam Manasse, voor alle zaken van God en van de koning.

Download hoofdstuk als tekstbestand