Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Kronieken 2
De stam van Juda
De zonen van Israël
Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Zebulon,
Dan, Jozef, Benjamin, Nafthali, Gad en Aser.
De zonen van Juda
De zonen van Juda waren Er, Onan en Sela.
Die drie kreeg hij bij de dochter van Sua, een vrouw uit Kanaän.
Er, de oudste zoon van Juda, deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE.
Daarom liet de HEERE hem sterven.
Die drie kreeg hij bij de dochter van Sua, een vrouw uit Kanaän.
Er, de oudste zoon van Juda, deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE.
Daarom liet de HEERE hem sterven.
Thamar, zijn schoondochter, kreeg van hem Perez en Zerah.
Juda had dus vijf zonen.
Juda had dus vijf zonen.
De zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
De zonen van Zerah waren Zimri, Ethan, Heman, Chalcol en Dara, vijf in totaal.
De zoon van Charmi was Achar.
Hij bracht Israël in het ongeluk, doordat hij iets meenam wat aan God gewijd was.
Hij bracht Israël in het ongeluk, doordat hij iets meenam wat aan God gewijd was.
De zoon van Ethan was Azaria.
Van Hezron tot David
De zonen die Hezron kreeg, waren Jerahmeël, Ram en Chelubai.
Ram kreeg Amminadab, en Amminadab kreeg Nahesson, de leider van de stam Juda.
Nahesson kreeg Salma, en Salma kreeg Boaz.
Boaz kreeg Obed, en Obed kreeg Isaï.
Isaï kreeg Eliab, zijn oudste zoon, daarna Abinadab en Simea,
daarna Nethaneël en Raddai,
daarna Ozem, en als zevende David.
Hun zussen waren Zeruja en Abigaïl.
Zeruja had drie zonen: Abisai, Joab en Asa-El.
Zeruja had drie zonen: Abisai, Joab en Asa-El.
Abigaïl kreeg Amasa.
Zijn vader was Jether, een Ismaëliet.
Zijn vader was Jether, een Ismaëliet.
De nakomelingen van Kaleb en Hezron
Kaleb, de zoon van Hezron, kreeg kinderen bij zijn vrouw Azuba en bij Jerioth.
Haar zonen waren Jeser, Sobab en Ardon.
Haar zonen waren Jeser, Sobab en Ardon.
Toen Azuba gestorven was, trouwde Kaleb met Efrath.
Zij kreeg van hem Hur.
Zij kreeg van hem Hur.
Hur kreeg Uri, en Uri kreeg Bezaleël.
Daarna trouwde Hezron met de dochter van Machir, de vader van Gilead.
Hij was toen zestig jaar.
Zij kreeg van hem Segub.
Hij was toen zestig jaar.
Zij kreeg van hem Segub.
Segub kreeg Jaïr, die 23 steden in Gilead bezat.
Maar Gesur en Aram namen de dorpen van Jaïr van hem af, met Kenath en de plaatsen die daarbij hoorden: zestig steden.
Zij stamden allemaal af van Machir, de vader van Gilead.
Zij stamden allemaal af van Machir, de vader van Gilead.
Na de dood van Hezron in Kaleb-Efratha kreeg Abia, de vrouw van Hezron, nog Asschur, de vader van Thekoa.
De nakomelingen van Jerahmeël
Jerahmeël was de oudste zoon van Hezron.
Zijn zonen waren Ram, de oudste, en verder Buna, Oren, Ozem en Ahia.
Zijn zonen waren Ram, de oudste, en verder Buna, Oren, Ozem en Ahia.
Jerahmeël had nog een andere vrouw, Atara.
Zij was de moeder van Onam.
Zij was de moeder van Onam.
De zonen van Ram, de oudste zoon van Jerahmeël, waren Maäz, Jamin en Eker.
De zonen van Onam waren Sammai en Jada.
De zonen van Sammai waren Nadab en Abisur.
De zonen van Sammai waren Nadab en Abisur.
De vrouw van Abisur heette Abihaïl.
Zij kreeg van hem Achban en Molid.
Zij kreeg van hem Achban en Molid.
De zonen van Nadab waren Seled en Appaïm.
Seled stierf zonder kinderen.
Seled stierf zonder kinderen.
De zoon van Appaïm was Jisei, de zoon van Jisei was Sesan, en de zoon van Sesan was Achlai.
De zonen van Jada, de broer van Sammai, waren Jether en Jonathan.
Jether stierf zonder kinderen.
Jether stierf zonder kinderen.
De zonen van Jonathan waren Peleth en Zaza.
Dat waren de nakomelingen van Jerahmeël.
Dat waren de nakomelingen van Jerahmeël.
Sesan had geen zonen, alleen dochters.
Hij had een Egyptische slaaf die Jarha heette.
Hij had een Egyptische slaaf die Jarha heette.
Sesan gaf zijn dochter aan zijn slaaf Jarha tot vrouw.
Zij kreeg van hem Attai.
Zij kreeg van hem Attai.
Attai kreeg Nathan, en Nathan kreeg Zabad.
Zabad kreeg Eflal, en Eflal kreeg Obed.
Obed kreeg Jehu, en Jehu kreeg Azaria.
Azaria kreeg Helez, en Helez kreeg Elasa.
Elasa kreeg Sismai, en Sismai kreeg Sallum.
Sallum kreeg Jekamja, en Jekamja kreeg Elisama.
Verdere nakomelingen van Kaleb
Kaleb was de broer van Jerahmeël.
Zijn oudste zoon was Mesa, de vader van Zif.
Verder had hij de zonen van Maresa, de vader van Hebron.
Zijn oudste zoon was Mesa, de vader van Zif.
Verder had hij de zonen van Maresa, de vader van Hebron.
De zonen van Hebron waren Korah, Tappuah, Rekem en Sema.
Sema kreeg Raham, de vader van Jorkeam, en Rekem kreeg Sammai.
De zoon van Sammai was Maon, en Maon was de vader van Beth-Zur.
Efa, de bijvrouw van Kaleb, kreeg Haran, Moza en Gazez.
Haran kreeg ook een zoon die Gazez heette.
Haran kreeg ook een zoon die Gazez heette.
De zonen van Jochdai waren Regem, Jotham, Gesan, Pelet, Efa en Saäf.
Bij zijn bijvrouw Maächa kreeg Kaleb Seber en Tirhana.
Zij kreeg ook Saäf, de vader van Madmanna, en Seva, de vader van Machbena en van Gibea.
De dochter van Kaleb heette Achsa.
De dochter van Kaleb heette Achsa.
Dit waren de nakomelingen van Kaleb.
De zonen van Hur, de oudste zoon van Efratha, waren Sobal, de vader van Kirjath-Jearim,
De zonen van Hur, de oudste zoon van Efratha, waren Sobal, de vader van Kirjath-Jearim,
Salma, de vader van Bethlehem, en Haref, de vader van Beth-Gader.
Sobal, de vader van Kirjath-Jearim, had als nakomelingen Haroe en de helft van de Menuchieten.
De families van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, de Futhieten, de Sumathieten en de Misraïeten.
Van hen stammen de Zoraïeten en de Esthaolieten af.
Van hen stammen de Zoraïeten en de Esthaolieten af.
De nakomelingen van Salma waren Bethlehem, de Netofathieten, Atroth-Beth-Joab, de helft van de Manathieten en de Zorieten.
In Jabes woonden families van schrijvers: de Tirathieten, de Simeathieten en de Suchathieten.
Dat zijn de Kenieten, die afstammen van Hammath, de vader van de familie Rechab.
Dat zijn de Kenieten, die afstammen van Hammath, de vader van de familie Rechab.