Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Koningen 8

De inwijding van de tempel

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 13 minuten
De ark wordt in de tempel gebracht
Toen riep Salomo de oudsten van Israël bijeen in Jeruzalem, met alle stamhoofden en familiehoofden van de Israëlieten.
Zij moesten de ark van het verbond van de HEERE naar boven brengen uit de stad van David, dat is Sion.
Alle mannen van Israël kwamen bij koning Salomo bijeen op het feest in de maand Ethanim, de zevende maand.
Alle oudsten van Israël kwamen, en de priesters droegen de ark.
Zij brachten de ark van de HEERE naar boven, met de ontmoetingstent en alle heilige voorwerpen die in de tent waren.
De priesters en de Levieten brachten ze naar boven.
Koning Salomo en de hele gemeenschap van Israël die bij hem was samengekomen, stonden bij hem voor de ark.
Zij offerden zoveel schapen en runderen dat die niet te tellen waren.
De priesters brachten de ark van het verbond van de HEERE naar zijn plaats.
Dat was het binnenste heiligdom van het huis, het heilige der heiligen, onder de vleugels van de cherubs.
Want de cherubs spreidden hun vleugels uit over de plaats van de ark.
Zo bedekten de cherubs de ark en zijn draagstokken van boven.
De draagstokken waren zo lang dat de uiteinden vanuit het heilige voor het binnenste heiligdom te zien waren.
Maar van buiten waren ze niet te zien.
Ze zijn daar tot vandaag.
In de ark lagen alleen de twee stenen platen die Mozes er bij de Horeb in had gelegd.
Dat was toen de HEERE een verbond sloot met de Israëlieten, na hun uittocht uit Egypte.
Toen de priesters uit het heilige naar buiten kwamen, vulde een wolk het huis van de HEERE.
De priesters konden vanwege de wolk niet blijven staan om hun dienst te doen.
Want de heerlijkheid van de HEERE vulde het huis van de HEERE.
Salomo spreekt het volk toe
Toen zei Salomo: De HEERE heeft gezegd dat Hij in donkerheid wil wonen.
Ik heb echt een huis gebouwd waar U kunt wonen, een vaste plaats voor Uw eeuwige woning.
Daarna draaide de koning zich om en zegende de hele gemeenschap van Israël, terwijl de hele gemeenschap van Israël stond.
Hij zei: Geloofd zij de HEERE, de God van Israël!
Met Zijn mond heeft Hij het aan mijn vader David beloofd, en met Zijn hand heeft Hij het vervuld.
Hij zei:
Sinds ik mijn volk Israël uit Egypte leidde, heb ik uit alle stammen van Israël geen stad gekozen voor een huis voor mijn naam.
Maar ik heb David gekozen om over mijn volk Israël te regeren.

Mijn vader David had het in zijn hart om een huis te bouwen voor de naam van de HEERE, de God van Israël.
Maar de HEERE zei tegen mijn vader David: Je had het in je hart om een huis te bouwen voor mijn naam.
Het is goed dat je dat in je hart had.

Toch zul jij het huis niet bouwen.
Maar je zoon, die uit jou geboren wordt, zal het huis voor mijn naam bouwen.

De HEERE heeft Zijn woord waargemaakt.
Want ik ben opgestaan in de plaats van mijn vader David en zit op de troon van Israël, zoals de HEERE gezegd heeft.
En ik heb het huis gebouwd voor de naam van de HEERE, de God van Israël.

Daar heb ik een plaats gemaakt voor de ark, waarin het verbond van de HEERE ligt.
Dat verbond sloot Hij met onze vaders toen Hij hen uit Egypte leidde.

Het gebed van Salomo
Toen ging Salomo voor het altaar van de HEERE staan, tegenover de hele gemeenschap van Israël, en spreidde zijn handen uit naar de hemel.
Hij zei: HEERE, God van Israël, er is geen God zoals U, boven in de hemel of beneden op de aarde.
U houdt Uw verbond en Uw goedheid voor Uw dienaren die met heel hun hart voor U leven.

U hebt Uw dienaar, mijn vader David, gegeven wat U hem beloofd had.
Met Uw mond hebt U het beloofd, en met Uw hand hebt U het vervuld, zoals het vandaag is.

Nu dan, HEERE, God van Israël, houd ook de belofte aan Uw dienaar, mijn vader David.
U zei: Er zal altijd iemand van je nakomelingen voor mij op de troon van Israël zitten.
Maar dan moeten je zonen letten op hun weg en voor mij leven, zoals jij voor mij geleefd hebt.

Nu dan, God van Israël, laat Uw woord toch waar worden dat U tot Uw dienaar, mijn vader David, gesproken hebt.
Maar zou God werkelijk op aarde wonen?
Kijk, de hemel en zelfs de hoogste hemel kunnen U niet bevatten.
Hoeveel minder dan dit huis dat ik gebouwd heb!

Keer U toch naar het gebed en de smeekbede van Uw dienaar, HEERE, mijn God.
Luister naar het roepen en het gebed dat Uw dienaar vandaag voor U bidt.

Laat Uw ogen dag en nacht open zijn voor dit huis, voor de plaats waarvan U gezegd hebt: Daar zal mijn naam zijn.
Luister naar het gebed dat Uw dienaar op deze plaats zal bidden.

Luister naar de smeekbede van Uw dienaar en van Uw volk Israël, als zij op deze plaats bidden.
Luister in de hemel, waar U woont.
Luister en vergeef.

Stel dat iemand tegen zijn naaste zondigt, en men hem een eed oplegt waarbij hij zichzelf vervloekt.
En stel dat hij die eed komt afleggen voor Uw altaar in dit huis.

Luister dan in de hemel en grijp in.
Spreek recht tussen Uw dienaren.
Veroordeel de schuldige en laat zijn daden op zijn eigen hoofd neerkomen.
Spreek de rechtvaardige vrij en geef hem naar zijn gerechtigheid.

Stel dat Uw volk Israël door een vijand verslagen wordt omdat zij tegen U gezondigd hebben.
Als zij dan tot U terugkeren, Uw naam belijden en in dit huis tot U bidden en smeken,
luister dan in de hemel.
Vergeef de zonde van Uw volk Israël en breng hen terug in het land dat U aan hun vaders gegeven hebt.

Stel dat de hemel gesloten is en het niet regent, omdat zij tegen U gezondigd hebben.
Als zij dan op deze plaats bidden, Uw naam belijden en zich van hun zonde bekeren omdat U hen gestraft hebt,
luister dan in de hemel.
Vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, en leer hen de goede weg die zij moeten gaan.
Geef dan regen op Uw land, dat U Uw volk als erfdeel gegeven hebt.

Stel dat er hongersnood in het land is, of pest, korenbrand of meeldauw, sprinkhanen of kevers.
Of stel dat een vijand hen belegert in hun eigen steden, of dat er een plaag of ziekte is.

Hoor dan elk gebed en elke smeekbede van ieder mens uit heel Uw volk Israël.
Ieder kent de nood van zijn eigen hart, en spreidt zijn handen uit naar dit huis.

Luister dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, en vergeef.
Grijp in en geef ieder naar al zijn wegen, want U kent zijn hart.
Want alleen U kent het hart van alle mensen.

Dan zullen zij U vrezen, zolang zij leven in het land dat U aan onze vaders gegeven hebt.
Ook de buitenlander, die niet bij Uw volk Israël hoort, kan uit een ver land komen omwille van Uw naam.
Want zij zullen horen van Uw grote naam, Uw sterke hand en Uw uitgestrekte arm.
Als zo iemand dan komt en in dit huis bidt,
luister dan in de hemel, Uw vaste woonplaats.
Doe alles waarom die buitenlander U vraagt.
Dan zullen alle volken op aarde Uw naam kennen en U vrezen, zoals Uw volk Israël.
Dan weten zij dat dit huis dat ik gebouwd heb, Uw naam draagt.

Stel dat Uw volk ten strijde trekt tegen zijn vijand, op de weg waarop U hen stuurt.
Stel dat zij dan tot de HEERE bidden, gericht naar deze stad die U gekozen hebt.
Zij bidden gericht naar het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb.

Luister dan in de hemel naar hun gebed en smeekbede, en verschaf hun recht.
Stel dat zij tegen U zondigen, want er is geen mens die niet zondigt.
Stel dat U toornig op hen wordt en hen uitlevert aan een vijand.
Stel dat hun overwinnaars hen gevangen wegvoeren naar het land van de vijand, ver weg of dichtbij.

Stel dat zij dan in het land van hun gevangenschap tot inkeer komen, zich bekeren en tot U smeken.
Stel dat zij zeggen: Wij hebben gezondigd, verkeerd gedaan en goddeloos gehandeld.

Stel dat zij zich met heel hun hart en heel hun ziel tot U bekeren in het land van hun vijanden die hen weggevoerd hebben.
Stel dat zij tot U bidden, gericht naar hun land dat U aan hun vaders gegeven hebt.
Zij bidden gericht naar de stad die U gekozen hebt, en naar het huis dat ik voor Uw naam gebouwd heb.

Luister dan in de hemel, Uw vaste woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede, en verschaf hun recht.
Vergeef Uw volk wat zij tegen U gezondigd hebben, en al hun overtredingen waarmee zij tegen U in opstand kwamen.
Laat hun bewakers barmhartig voor hen zijn, zodat zij medelijden met hen krijgen.

Want zij zijn Uw volk en Uw erfdeel, dat U uit Egypte hebt geleid, uit de ijzeren smeltoven.
Laat Uw ogen dan open zijn voor de smeekbede van Uw dienaar en van Uw volk Israël.
Luister naar hen, telkens als zij tot U roepen.

Want U hebt hen voor U apart gezet als Uw erfdeel, uit alle volken op aarde.
Zo hebt U het gezegd door Uw dienaar Mozes, toen U onze vaders uit Egypte leidde, Heere HEERE!

Zegen en offers
Toen Salomo klaar was met al dit bidden en smeken tot de HEERE, stond hij op van voor het altaar van de HEERE.
Hij had daar geknield met zijn handen naar de hemel uitgespreid.
Hij ging staan en zegende de hele gemeenschap van Israël met luide stem.
Hij zei:
Geloofd zij de HEERE, Die Zijn volk Israël rust heeft gegeven, precies zoals Hij beloofd had!
Van al Zijn goede woorden die Hij door Zijn dienaar Mozes gesproken heeft, is er niet één onvervuld gebleven.

Laat de HEERE, onze God, met ons zijn, zoals Hij met onze vaders geweest is.
Laat Hij ons niet verlaten en ons niet in de steek laten.

Laat Hij ons hart naar zich toe buigen, zodat wij in al Zijn wegen gaan.
Dan zullen wij Zijn geboden, verordeningen en bepalingen houden, die Hij onze vaders geboden heeft.

Laat deze woorden waarmee ik tot de HEERE gesmeekt heb, dag en nacht dicht bij de HEERE, onze God, blijven.
Dan zal Hij recht doen aan Zijn dienaar en aan Zijn volk Israël, elke dag wat nodig is.

Dan zullen alle volken op aarde weten dat de HEERE God is, en niemand anders.
Laat jullie hart dan volkomen toegewijd zijn aan de HEERE, onze God, om te leven naar Zijn verordeningen en Zijn geboden te houden, zoals vandaag.
De koning en heel Israël met hem brachten offers voor de HEERE.
Salomo bracht als dankoffer voor de HEERE 22.000 runderen en 120.000 schapen.
Zo wijdden de koning en alle Israëlieten het huis van de HEERE in.
Diezelfde dag heiligde de koning het midden van de voorhof voor het huis van de HEERE.
Want daar bracht hij het brandoffer, het graanoffer en het vet van de dankoffers.
Het koperen altaar voor de HEERE was te klein om dat allemaal te bevatten.
In die tijd vierde Salomo het feest met heel Israël, een grote gemeenschap, van Lebo-Hamath tot aan de beek van Egypte.
Zij vierden voor de HEERE, onze God, zeven dagen en nog eens zeven dagen, veertien dagen in totaal.
Op de achtste dag liet hij het volk gaan.
Zij zegenden de koning en gingen naar hun tenten.
Zij waren blij en opgewekt om al het goede dat de HEERE aan Zijn dienaar David en aan Zijn volk Israël gedaan had.

Download hoofdstuk als tekstbestand