Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Koningen 9

De HEERE verschijnt opnieuw aan Salomo

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
De tweede verschijning
Salomo was klaar met de bouw van het huis van de HEERE en het paleis van de koning.
Ook had hij alles gemaakt wat hij graag wilde.
Toen verscheen de HEERE voor de tweede keer aan Salomo, zoals Hij hem in Gibeon verschenen was.
De HEERE zei tegen hem: Ik heb je gebed en je smeekbede gehoord die je voor mij hebt uitgesproken.
Ik heb dit huis dat je gebouwd hebt, geheiligd om mijn naam daar voor altijd te vestigen.
Mijn ogen en mijn hart zullen daar altijd zijn.

Leef voor mij zoals je vader David geleefd heeft, met een volkomen en oprecht hart.
Doe alles wat ik je geboden heb en houd je aan mijn verordeningen en bepalingen.

Dan zal ik de troon van je koningschap over Israël voor altijd bevestigen.
Zo heb ik het je vader David beloofd: Er zal altijd iemand van jou op de troon van Israël zitten.

Maar misschien keren jullie en je kinderen je van mij af.
Misschien houden jullie mijn geboden en verordeningen niet, die ik jullie gegeven heb, maar gaan jullie andere goden dienen en je voor hen neerbuigen.

Dan zal ik Israël wegvagen uit het land dat ik hun gegeven heb.
Het huis dat ik voor mijn naam geheiligd heb, zal ik van mij wegwerpen.
Israël zal een spreekwoord en een spotlied worden onder alle volken.

Dit huis is nu verheven, maar dan zal iedereen die erlangs komt, ontzet zijn en fluiten.
Men zal vragen: Waarom heeft de HEERE zo gehandeld met dit land en dit huis?

Dan zal men antwoorden: Omdat zij de HEERE, hun God, verlaten hebben, Die hun vaders uit Egypte heeft geleid.
Zij hebben zich aan andere goden gehecht, zich voor hen neergebogen en hen gediend.
Daarom heeft de HEERE al dit onheil over hen gebracht.

De werken van Salomo
Salomo had twintig jaar gebouwd aan de twee huizen, het huis van de HEERE en het paleis van de koning.
Hiram, de koning van Tyrus, had Salomo cederhout, dennenhout en goud geleverd, zoveel als hij wilde.
Toen gaf koning Salomo Hiram twintig steden in het land Galilea.
Hiram kwam uit Tyrus om de steden te bekijken die Salomo hem gegeven had.
Maar hij vond ze niet goed.
Hij zei: Wat zijn dat voor steden die u mij gegeven hebt, mijn broeder?
Hij noemde ze het land Kabul, en zo heten ze tot vandaag.
Hiram had de koning ongeveer 4.000 kilo goud gestuurd.
Dit is hoe het zat met de dwangarbeid die koning Salomo invoerde.
Hij gebruikte die om het huis van de HEERE te bouwen, zijn eigen paleis, de Millo en de muur van Jeruzalem.
Ook bouwde hij daarmee Hazor, Megiddo en Gezer.
Farao, de koning van Egypte, had Gezer aangevallen en ingenomen en in brand gestoken.
Hij had de Kanaänieten die in de stad woonden, gedood.
Toen had hij de stad als bruidsgeschenk gegeven aan zijn dochter, de vrouw van Salomo.
Zo bouwde Salomo Gezer en Beneden-Beth-horon op,
en Baälath en Tamor in de woestijn van het land,
en alle voorraadsteden die Salomo had, de steden voor de wagens en de steden voor de ruiters.
Ook bouwde hij alles wat hij graag wilde bouwen in Jeruzalem, op de Libanon en in heel het land waarover hij regeerde.
Er was nog een deel van het volk over van de Amorieten, Hethieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten.
Zij hoorden niet bij de Israëlieten.
Hun nakomelingen waren in het land overgebleven, omdat de Israëlieten hen niet met de ban hadden kunnen slaan.
Salomo liet hen dwangarbeid als slaven doen, tot vandaag.
Maar van de Israëlieten maakte Salomo niemand tot slaaf.
Zij waren strijders, dienaren, bevelhebbers en officieren, en aanvoerders van zijn wagens en ruiters.
Er waren 550 hoofdopzichters die over het werk van Salomo stonden.
Zij hadden de leiding over het volk dat het werk deed.
Toen de dochter van Farao van de stad van David naar het paleis ging dat Salomo voor haar gebouwd had, bouwde hij de Millo.
Drie keer per jaar bracht Salomo brandoffers en dankoffers op het altaar dat hij voor de HEERE gebouwd had.
Hij liet reukwerk in rook opgaan op het altaar voor de HEERE.
Zo voltooide hij het huis.
Koning Salomo liet ook schepen bouwen in Ezeon-geber, bij Eloth, aan de kust van de Schelfzee in het land Edom.
Hiram stuurde zijn dienaren met die schepen mee, zeelieden die de zee kenden, samen met de dienaren van Salomo.
Zij voeren naar Ofir en haalden daar ongeveer 14.000 kilo goud.
Dat brachten zij naar koning Salomo.

Download hoofdstuk als tekstbestand