Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
1 Koningen 2
Het koningschap van Salomo bevestigd
De laatste opdracht van David
Toen de tijd naderde dat David zou sterven, gaf hij zijn zoon Salomo deze opdracht:
Ik ga de weg van alle mensen.
Wees dus sterk en gedraag je als een man.
Wees dus sterk en gedraag je als een man.
Houd je aan wat de HEERE, je God, van je vraagt.
Ga in Zijn wegen en houd je aan Zijn verordeningen, geboden, bepalingen en getuigenissen, zoals geschreven is in de wet van Mozes.
Dan zul je verstandig handelen in alles wat je doet en waar je je ook heen keert.
Ga in Zijn wegen en houd je aan Zijn verordeningen, geboden, bepalingen en getuigenissen, zoals geschreven is in de wet van Mozes.
Dan zul je verstandig handelen in alles wat je doet en waar je je ook heen keert.
Dan zal de HEERE Zijn woord waarmaken dat Hij over mij gesproken heeft.
Hij zei: Je zonen moeten goed op hun weg letten en trouw voor mij leven, met hun hele hart en hun hele ziel.
Dan zal er altijd iemand van jou op de troon van Israël zitten.
Hij zei: Je zonen moeten goed op hun weg letten en trouw voor mij leven, met hun hele hart en hun hele ziel.
Dan zal er altijd iemand van jou op de troon van Israël zitten.
Je weet ook wat Joab, de zoon van Zeruja, mij heeft aangedaan.
Hij heeft de twee legeraanvoerders van Israël gedood, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether.
Hij heeft in vredestijd bloed vergoten als in oorlogstijd.
Dat bloed kwam op de gordel om zijn middel en op de sandalen aan zijn voeten.
Hij heeft de twee legeraanvoerders van Israël gedood, Abner, de zoon van Ner, en Amasa, de zoon van Jether.
Hij heeft in vredestijd bloed vergoten als in oorlogstijd.
Dat bloed kwam op de gordel om zijn middel en op de sandalen aan zijn voeten.
Handel dus naar je wijsheid, en laat zijn grijze haar niet in vrede naar het graf gaan.
Maar bewijs goedheid aan de zonen van Barzillai, de Gileadiet.
Laat hen horen bij wie aan jouw tafel eten.
Want zo zijn zij mij tegemoet gekomen toen ik vluchtte voor je broer Absalom.
Laat hen horen bij wie aan jouw tafel eten.
Want zo zijn zij mij tegemoet gekomen toen ik vluchtte voor je broer Absalom.
Kijk, ook Simeï, de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bahurim, is bij je.
Hij vervloekte mij met een zware vloek op de dag dat ik naar Mahanaïm ging.
Maar hij kwam mij tegemoet bij de Jordaan, en ik zwoer hem bij de HEERE: Ik zal je niet met het zwaard doden.
Hij vervloekte mij met een zware vloek op de dag dat ik naar Mahanaïm ging.
Maar hij kwam mij tegemoet bij de Jordaan, en ik zwoer hem bij de HEERE: Ik zal je niet met het zwaard doden.
Maar laat hem nu niet ongestraft.
Want je bent een wijs man, en je zult weten wat je met hem moet doen.
Laat zijn grijze haar met bloed naar het graf gaan.
Want je bent een wijs man, en je zult weten wat je met hem moet doen.
Laat zijn grijze haar met bloed naar het graf gaan.
Toen ging David bij zijn voorouders te ruste en werd begraven in de stad van David.
David was veertig jaar koning over Israël geweest.
In Hebron regeerde hij zeven jaar, en in Jeruzalem 33 jaar.
In Hebron regeerde hij zeven jaar, en in Jeruzalem 33 jaar.
Salomo zat op de troon van zijn vader David, en zijn koningschap werd stevig gevestigd.
Adonia, Abjathar en Joab
Toen kwam Adonia, de zoon van Haggith, bij Bathseba, de moeder van Salomo.
Zij vroeg: Kom je in vrede?
Hij zei: In vrede.
Zij vroeg: Kom je in vrede?
Hij zei: In vrede.
Hij zei: Ik wil u iets vragen.
Zij zei: Zeg het maar.
Zij zei: Zeg het maar.
Hij zei: U weet dat het koningschap van mij was, en dat heel Israël verwachtte dat ik koning zou worden.
Maar het koningschap is naar mijn broer gegaan, want het is hem door de HEERE gegeven.
Maar het koningschap is naar mijn broer gegaan, want het is hem door de HEERE gegeven.
Nu heb ik één verzoek aan u.
Wijs mij niet af.
Zij zei tegen hem: Zeg het maar.
Wijs mij niet af.
Zij zei tegen hem: Zeg het maar.
Hij zei: Vraag toch aan koning Salomo of hij mij Abisag uit Sunem als vrouw wil geven.
Hij zal u niets weigeren.
Hij zal u niets weigeren.
Bathseba zei: Goed, ik zal voor je met de koning spreken.
Zo ging Bathseba naar koning Salomo om met hem over Adonia te spreken.
De koning stond op, ging haar tegemoet en boog zich voor haar.
Daarna ging hij op zijn troon zitten en liet een stoel neerzetten voor de moeder van de koning.
Zij ging aan zijn rechterhand zitten.
De koning stond op, ging haar tegemoet en boog zich voor haar.
Daarna ging hij op zijn troon zitten en liet een stoel neerzetten voor de moeder van de koning.
Zij ging aan zijn rechterhand zitten.
Zij zei: Ik heb één klein verzoek.
Wijs mij niet af.
De koning zei tegen haar: Vraag maar, mijn moeder, ik zal u niets weigeren.
Wijs mij niet af.
De koning zei tegen haar: Vraag maar, mijn moeder, ik zal u niets weigeren.
Zij zei: Laat Abisag uit Sunem als vrouw gegeven worden aan uw broer Adonia.
Koning Salomo antwoordde zijn moeder: Waarom vraagt u Abisag uit Sunem voor Adonia?
Vraag dan ook het koningschap voor hem, want hij is mijn oudere broer!
Vraag het voor hem, voor de priester Abjathar en voor Joab, de zoon van Zeruja!
Vraag dan ook het koningschap voor hem, want hij is mijn oudere broer!
Vraag het voor hem, voor de priester Abjathar en voor Joab, de zoon van Zeruja!
Koning Salomo zwoer bij de HEERE: God mag mij zo straffen en nog erger, als dit verzoek Adonia niet zijn leven kost!
De HEERE heeft mij bevestigd en op de troon van mijn vader David gezet.
Hij heeft mij een koningshuis gegeven, zoals Hij had beloofd.
Zo waar Hij leeft: Adonia zal vandaag nog gedood worden!
Hij heeft mij een koningshuis gegeven, zoals Hij had beloofd.
Zo waar Hij leeft: Adonia zal vandaag nog gedood worden!
Koning Salomo stuurde Benaja, de zoon van Jojada.
Die viel hem aan, zodat hij stierf.
Die viel hem aan, zodat hij stierf.
Tegen de priester Abjathar zei de koning: Ga naar Anathoth, naar je akkers, want je verdient de dood.
Maar vandaag zal ik je niet doden.
Want je hebt de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David gedragen, en je hebt geleden in alles waarin mijn vader leed.
Maar vandaag zal ik je niet doden.
Want je hebt de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David gedragen, en je hebt geleden in alles waarin mijn vader leed.
Zo verdreef Salomo Abjathar uit het priesterambt van de HEERE.
Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij in Silo over de familie van Eli had gesproken.
Zo ging het woord van de HEERE in vervulling dat Hij in Silo over de familie van Eli had gesproken.
Het bericht kwam ook bij Joab.
Joab had namelijk Adonia gesteund, al had hij Absalom niet gesteund.
Toen vluchtte Joab naar de tent van de HEERE en greep de hoorns van het altaar vast.
Joab had namelijk Adonia gesteund, al had hij Absalom niet gesteund.
Toen vluchtte Joab naar de tent van de HEERE en greep de hoorns van het altaar vast.
Aan koning Salomo werd verteld dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht en bij het altaar stond.
Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, met de opdracht: Ga en val hem aan.
Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, met de opdracht: Ga en val hem aan.
Benaja kwam bij de tent van de HEERE en zei tegen hem: Zo zegt de koning: Kom naar buiten.
Maar hij zei: Nee, hier wil ik sterven.
Benaja bracht de koning het antwoord: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.
Maar hij zei: Nee, hier wil ik sterven.
Benaja bracht de koning het antwoord: Zo heeft Joab gesproken, en zo heeft hij mij geantwoord.
De koning zei tegen hem: Doe wat hij gezegd heeft.
Val hem aan en begraaf hem.
Zo neem je het bloed dat Joab zonder reden heeft vergoten, weg van mij en van de familie van mijn vader.
Val hem aan en begraaf hem.
Zo neem je het bloed dat Joab zonder reden heeft vergoten, weg van mij en van de familie van mijn vader.
De HEERE laat zijn bloed op zijn eigen hoofd neerkomen.
Want hij heeft twee mannen aangevallen die rechtvaardiger en beter waren dan hij.
Hij heeft hen met het zwaard gedood zonder dat mijn vader David het wist.
Dat waren Abner, de zoon van Ner, de legeraanvoerder van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de legeraanvoerder van Juda.
Want hij heeft twee mannen aangevallen die rechtvaardiger en beter waren dan hij.
Hij heeft hen met het zwaard gedood zonder dat mijn vader David het wist.
Dat waren Abner, de zoon van Ner, de legeraanvoerder van Israël, en Amasa, de zoon van Jether, de legeraanvoerder van Juda.
Hun bloed zal voor altijd neerkomen op het hoofd van Joab en van zijn nakomelingen.
Maar David, zijn nakomelingen, zijn huis en zijn troon zullen voor altijd vrede hebben van de HEERE.
Maar David, zijn nakomelingen, zijn huis en zijn troon zullen voor altijd vrede hebben van de HEERE.
Toen ging Benaja, de zoon van Jojada, naar boven, viel hem aan en doodde hem.
Hij werd begraven bij zijn huis in de woestijn.
Hij werd begraven bij zijn huis in de woestijn.
De koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger.
En de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.
En de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.
De dood van Simeï
Daarna liet de koning Simeï roepen en zei tegen hem: Bouw een huis in Jeruzalem en woon daar.
Ga niet weg, nergens heen.
Ga niet weg, nergens heen.
Want op de dag dat je weggaat en de beek Kidron oversteekt, moet je weten dat je zeker zult sterven.
Dan komt je bloed op je eigen hoofd.
Dan komt je bloed op je eigen hoofd.
Simeï zei tegen de koning: Dat is goed.
Uw dienaar zal doen wat mijn heer de koning gezegd heeft.
En Simeï bleef lange tijd in Jeruzalem wonen.
Uw dienaar zal doen wat mijn heer de koning gezegd heeft.
En Simeï bleef lange tijd in Jeruzalem wonen.
Maar na drie jaar liepen twee slaven van Simeï weg naar Achis, de zoon van Maächa, de koning van Gath.
Men vertelde Simeï: Kijk, je slaven zijn in Gath.
Men vertelde Simeï: Kijk, je slaven zijn in Gath.
Toen zadelde Simeï zijn ezel en ging naar Achis in Gath om zijn slaven te zoeken.
Simeï ging en haalde zijn slaven terug uit Gath.
Simeï ging en haalde zijn slaven terug uit Gath.
Aan Salomo werd verteld dat Simeï van Jeruzalem naar Gath was gegaan en weer was teruggekomen.
Toen liet de koning Simeï roepen en zei tegen hem: Heb ik je niet laten zweren bij de HEERE en je gewaarschuwd?
Ik zei: Op de dag dat je weggaat, waarheen ook, moet je weten dat je zeker zult sterven.
En jij zei tegen mij: Dat is goed, ik heb het gehoord.
Ik zei: Op de dag dat je weggaat, waarheen ook, moet je weten dat je zeker zult sterven.
En jij zei tegen mij: Dat is goed, ik heb het gehoord.
Waarom heb je je dan niet gehouden aan de eed bij de HEERE en aan het bevel dat ik je gegeven heb?
De koning zei verder tegen Simeï: Je weet zelf al het kwaad dat je mijn vader David hebt aangedaan.
Daarom laat de HEERE je kwaad op je eigen hoofd neerkomen.
Daarom laat de HEERE je kwaad op je eigen hoofd neerkomen.
Maar koning Salomo zal gezegend zijn, en de troon van David zal voor altijd vaststaan voor de HEERE.
Toen gaf de koning Benaja, de zoon van Jojada, opdracht.
Die ging naar buiten, viel Simeï aan en doodde hem.
Zo werd het koningschap stevig gevestigd in de hand van Salomo.
Die ging naar buiten, viel Simeï aan en doodde hem.
Zo werd het koningschap stevig gevestigd in de hand van Salomo.