Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

1 Koningen 18

Elia op de Karmel

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 9 minuten
Elia en Obadja
Lange tijd later, in het derde jaar, kwam het woord van de HEERE tot Elia: Ga naar Achab en laat je aan hem zien.
Dan zal ik regen geven op de aarde.

Elia ging op weg om zich aan Achab te laten zien.
In Samaria was een zware hongersnood.
Achab had Obadja, zijn hofmeester, laten roepen.
Obadja had veel ontzag voor de HEERE.
Toen Izebel de profeten van de HEERE uitroeide, had Obadja honderd profeten meegenomen.
Hij had hen per vijftig in een grot verborgen en hen van brood en water voorzien.
Achab zei tegen Obadja: Trek door het land naar alle waterbronnen en beken.
Misschien vinden wij gras, zodat wij de paarden en muilezels in leven kunnen houden.
Dan hoeven wij geen dieren te verliezen.

Zij verdeelden het land onder elkaar om het door te trekken.
Achab ging alleen de ene kant op, en Obadja alleen de andere kant.
Toen Obadja onderweg was, kwam Elia hem tegemoet.
Hij herkende hem, viel op zijn gezicht en zei: Bent u het, mijn heer Elia?
Hij zei: Ja, ik ben het.
Ga en zeg tegen je heer: Elia is hier.

Maar hij zei: Wat heb ik misdaan, dat u uw dienaar aan Achab wilt uitleveren, zodat hij mij doodt?
Zo waar de HEERE, uw God, leeft, er is geen volk of koninkrijk waar mijn heer niemand heeft gestuurd om u te zoeken.
Als men zei: Hij is hier niet, liet hij dat koninkrijk of volk zweren dat zij u niet gevonden hadden.

En nu zegt u: Ga en zeg tegen je heer: Elia is hier.
Straks ga ik bij u weg, en dan neemt de Geest van de HEERE u mee, ik weet niet waarheen.
Als ik het dan aan Achab ga vertellen en hij u niet vindt, zal hij mij doden.
Maar uw dienaar heeft vanaf zijn jeugd ontzag voor de HEERE.

Is mijn heer niet verteld wat ik gedaan heb toen Izebel de profeten van de HEERE doodde?
Ik heb honderd profeten van de HEERE verborgen, per vijftig in een grot, en hen van brood en water voorzien.

En nu zegt u: Ga en zeg tegen je heer: Elia is hier.
Dan zal hij mij doden!

Maar Elia zei: Zo waar de HEERE van de legermachten leeft, voor Wie ik sta: vandaag zal ik mij zeker aan hem laten zien.
Toen ging Obadja naar Achab en vertelde het hem.
Achab ging Elia tegemoet.
Elia en de profeten van Baäl
Toen Achab Elia zag, zei Achab tegen hem: Ben jij het, jij die Israël in het ongeluk stort?
Hij zei: Ik stort Israël niet in het ongeluk, maar u en de familie van uw vader.
Want jullie hebben de geboden van de HEERE verlaten, en u bent de Baäls achternagegaan.

Stuur nu boden en roep heel Israël bij mij bijeen op de berg Karmel.
Roep ook de 450 profeten van Baäl en de 400 profeten van de gewijde paal, die aan de tafel van Izebel eten.

Achab stuurde boden naar alle Israëlieten en riep de profeten bijeen op de berg Karmel.
Toen kwam Elia naar het hele volk toe en zei: Hoe lang blijven jullie op twee gedachten hinken?
Als de HEERE God is, volg Hem dan.
Als Baäl God is, volg hem dan!

Maar het volk zei geen woord.
Elia zei tegen het volk: Ik ben als enige profeet van de HEERE overgebleven, maar de profeten van Baäl zijn met 450 man.
Laat men ons twee stieren geven.
Laten zij voor zichzelf een stier kiezen, die in stukken snijden en op het hout leggen, maar er geen vuur onder aansteken.
Ik zal de andere stier klaarmaken en op het hout leggen, en er ook geen vuur onder aansteken.

Roep dan de naam van jullie god aan, en ik zal de naam van de HEERE aanroepen.
De God Die met vuur antwoordt, Die is God.

Het hele volk antwoordde: Dat is een goed voorstel.
Elia zei tegen de profeten van Baäl: Kies voor jezelf een stier en maak die eerst klaar, want jullie zijn met velen.
Roep de naam van jullie god aan, maar steek geen vuur aan.

Zij namen de stier die hij hun gegeven had, en maakten die klaar.
Zij riepen de naam van Baäl aan, van de morgen tot de middag: Baäl, antwoord ons!
Maar er kwam geen geluid en geen antwoord.
Zij dansten rond het altaar dat zij gemaakt hadden.
Tegen de middag begon Elia hen te bespotten.
Hij zei: Roep harder, hij is toch een god!
Misschien is hij in gedachten, of heeft hij iets te doen, of is hij op reis.
Misschien slaapt hij en moet hij wakker worden.

Zij riepen nog harder en maakten volgens hun gewoonte sneden in hun lichaam met zwaarden en speren, tot het bloed over hen heen stroomde.
Toen de middag voorbij was, bleven zij in vervoering roepen tot de tijd van het avondoffer.
Maar er kwam geen geluid, geen antwoord en geen enkele reactie.
Toen zei Elia tegen het hele volk: Kom hier bij mij.
Het hele volk kwam bij hem.
Hij herstelde het altaar van de HEERE, dat was afgebroken.
Elia nam twaalf stenen, naar het aantal stammen van de zonen van Jakob.
Tot hem was het woord van de HEERE gekomen: Israël zal je naam zijn.
Met die stenen bouwde hij het altaar in de naam van de HEERE.
Rondom het altaar maakte hij een greppel, zo ruim als een veld voor twee maten zaad.
Hij legde het hout klaar, sneed de stier in stukken en legde die op het hout.
Hij zei: Vul vier kruiken met water en giet dat over het brandoffer en het hout.
Hij zei: Doe het nog een keer.
Zij deden het nog een keer.
Hij zei: Doe het voor de derde keer.
Zij deden het voor de derde keer.
Het water liep rondom het altaar, en ook de greppel vulde hij met water.
Op de tijd van het avondoffer kwam de profeet Elia naar voren.
Hij zei: HEERE, God van Abraham, Izak en Israël, laat vandaag bekend worden dat U God bent in Israël.
Laat bekend worden dat ik Uw dienaar ben en dit alles op Uw woord gedaan heb.

Antwoord mij, HEERE, antwoord mij!
Dan zal dit volk weten dat U, HEERE, God bent, en dat U hun hart weer tot inkeer brengt.

Toen viel het vuur van de HEERE en verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en de aarde.
Ook het water in de greppel likte het op.
Toen het hele volk dat zag, vielen zij op hun gezicht en zeiden: De HEERE is God!
De HEERE is God!

Elia zei tegen hen: Grijp de profeten van Baäl, laat niemand van hen ontkomen!
Zij grepen hen.
Elia bracht hen naar de beek Kison en doodde hen daar.
De regen komt
Daarna zei Elia tegen Achab: Ga naar boven, eet en drink, want ik hoor het geruis van een zware regen.
Achab ging naar boven om te eten en te drinken.
Maar Elia ging naar de top van de Karmel.
Hij boog zich voorover naar de grond en legde zijn gezicht tussen zijn knieën.
Hij zei tegen zijn knecht: Ga naar boven en kijk uit naar de zee.
Hij ging naar boven, keek en zei: Er is niets.
Elia zei: Ga zeven keer terug.
De zevende keer zei hij: Kijk, er komt een kleine wolk op uit de zee, zo klein als een mannenhand.
Elia zei: Ga naar Achab en zeg: Span in en ga naar beneden, anders houdt de regen u tegen.
Ondertussen werd de hemel zwart van wolken en wind, en er viel een zware regen.
Achab stapte in zijn wagen en reed naar Jizreël.
De hand van de HEERE was over Elia.
Hij bond zijn kleren op en rende voor Achab uit tot aan Jizreël.

Download hoofdstuk als tekstbestand