Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Zacharia 5
De vliegende boekrol en de mand
De vloek over het land
Ik keek weer op en zag, en kijk, daar was een vliegende boekrol.
Hij zei tegen mij: Wat zie je?
Ik zei: Ik zie een vliegende boekrol.
Hij is ongeveer tien meter lang en vijf meter breed.
Ik zei: Ik zie een vliegende boekrol.
Hij is ongeveer tien meter lang en vijf meter breed.
Toen zei Hij tegen mij: Dit is de vloek die over heel het land uitgaat.
Want iedereen die steelt, wordt volgens die vloek van hier weggevaagd.
Zo wordt ook iedereen die vals zweert, van hier weggevaagd.
Want iedereen die steelt, wordt volgens die vloek van hier weggevaagd.
Zo wordt ook iedereen die vals zweert, van hier weggevaagd.
Ik breng die vloek tevoorschijn, zegt de HEERE van de legermachten.
Hij zal komen in het huis van de dief en in het huis van wie vals zweert bij mijn naam.
Hij zal daar midden in het huis overnachten en het verteren, met het houtwerk en de stenen.
Hij zal komen in het huis van de dief en in het huis van wie vals zweert bij mijn naam.
Hij zal daar midden in het huis overnachten en het verteren, met het houtwerk en de stenen.
De vrouw in de mand
De Engel die met mij sprak, kwam naar buiten en zei tegen mij: Kijk toch op en zie wat daar tevoorschijn komt.
Ik zei: Wat is dat?
Hij zei: Dat is een grote korenmand die tevoorschijn komt.
Verder zei Hij: Dat is hun schuld in heel het land.
Hij zei: Dat is een grote korenmand die tevoorschijn komt.
Verder zei Hij: Dat is hun schuld in heel het land.
En kijk, er werd een deksel van lood opgetild en er zat een vrouw in de mand.
Hij zei: Dit is de goddeloosheid.
Hij gooide haar terug in de mand en wierp het loden deksel op de opening.
Hij gooide haar terug in de mand en wierp het loden deksel op de opening.
Ik keek op en zag, en kijk, twee vrouwen kwamen tevoorschijn.
De wind stond in hun vleugels; zij hadden vleugels als een ooievaar.
Zij tilden de mand op tussen aarde en hemel.
De wind stond in hun vleugels; zij hadden vleugels als een ooievaar.
Zij tilden de mand op tussen aarde en hemel.
Toen zei ik tegen de Engel die met mij sprak: Waar brengen zij die mand heen?
Hij zei tegen mij: Om er een huis voor te bouwen in het land Sinear.
Als dat klaar is, zal zij daar op haar voetstuk gezet worden.
Als dat klaar is, zal zij daar op haar voetstuk gezet worden.