Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Zacharia 1
De man tussen de mirten
Keer terug naar mij
In de achtste maand van het tweede jaar van Darius kwam het woord van de HEERE tot de profeet Zacharia.
Hij was de zoon van Berechja, de zoon van Iddo.
Hij was de zoon van Berechja, de zoon van Iddo.
De HEERE was heel boos op jullie vaderen.
Zeg daarom tegen hen: dit zegt de HEERE van de legermachten.
Keer terug naar mij, zegt de HEERE van de legermachten, dan zal ik naar jullie terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten.
Keer terug naar mij, zegt de HEERE van de legermachten, dan zal ik naar jullie terugkeren, zegt de HEERE van de legermachten.
Wees niet als jullie vaderen.
De vroegere profeten riepen hun toe: dit zegt de HEERE van de legermachten: bekeer je toch van jullie slechte wegen en jullie slechte daden.
Maar zij luisterden niet en letten niet op mij, zegt de HEERE.
De vroegere profeten riepen hun toe: dit zegt de HEERE van de legermachten: bekeer je toch van jullie slechte wegen en jullie slechte daden.
Maar zij luisterden niet en letten niet op mij, zegt de HEERE.
Jullie vaderen, waar zijn zij?
En de profeten, leven die eeuwig?
En de profeten, leven die eeuwig?
Maar mijn woorden en mijn wetten, die ik mijn knechten de profeten opgedragen had, hebben jullie vaderen toch bereikt?
Toen keerden zij terug en zeiden: de HEERE van de legermachten had besloten met ons te doen naar onze wegen en onze daden.
Zo heeft Hij met ons gedaan.
Toen keerden zij terug en zeiden: de HEERE van de legermachten had besloten met ons te doen naar onze wegen en onze daden.
Zo heeft Hij met ons gedaan.
De ruiters en de vier hoorns
Het was de vierentwintigste dag van de elfde maand, de maand Sebat, in het tweede jaar van Darius.
Toen kwam het woord van de HEERE tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo.
Toen kwam het woord van de HEERE tot de profeet Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo.
Ik zag in de nacht, en kijk, daar was een Man op een rood paard.
Hij stond tussen de mirten in de diepte.
Achter Hem stonden rode, bruine en witte paarden.
Hij stond tussen de mirten in de diepte.
Achter Hem stonden rode, bruine en witte paarden.
Ik zei: Mijn Heer, wat zijn deze?
Toen zei de Engel die met mij sprak tegen mij: Ik zal je laten zien wat dit zijn.
Toen zei de Engel die met mij sprak tegen mij: Ik zal je laten zien wat dit zijn.
Toen antwoordde de Man die tussen de mirten stond: Dit zijn de paarden die de HEERE uitgestuurd heeft om de aarde te doorkruisen.
Zij antwoordden de Engel van de HEERE, die tussen de mirten stond: Wij hebben de aarde doorkruist.
En kijk, heel de aarde is rustig en stil.
En kijk, heel de aarde is rustig en stil.
Toen zei de Engel van de HEERE: HEERE van de legermachten, hoelang duurt het nog?
Wanneer ontfermt U zich over Jeruzalem en over de steden van Juda?
U bent nu al zeventig jaar boos op hen.
Wanneer ontfermt U zich over Jeruzalem en over de steden van Juda?
U bent nu al zeventig jaar boos op hen.
De HEERE antwoordde de Engel die met mij sprak, met goede en troostvolle woorden.
De Engel die met mij sprak, zei tegen mij: Roep het uit: dit zegt de HEERE van de legermachten.
Ik neem het hartstochtelijk op voor Jeruzalem en voor Sion.
Ik neem het hartstochtelijk op voor Jeruzalem en voor Sion.
Ik ben heel erg boos op de zorgeloze volken.
Want ik was een beetje boos, maar zij hebben het kwaad nog erger gemaakt.
Want ik was een beetje boos, maar zij hebben het kwaad nog erger gemaakt.
Daarom zegt de HEERE dit: ik ben naar Jeruzalem teruggekeerd met ontferming.
Mijn huis zal daarin gebouwd worden, zegt de HEERE van de legermachten, en het meetlint zal over Jeruzalem gespannen worden.
Mijn huis zal daarin gebouwd worden, zegt de HEERE van de legermachten, en het meetlint zal over Jeruzalem gespannen worden.
Roep nog eens: dit zegt de HEERE van de legermachten.
Mijn steden zullen weer overvloeien van het goede.
De HEERE zal Sion weer troosten en Jeruzalem weer uitkiezen.
Mijn steden zullen weer overvloeien van het goede.
De HEERE zal Sion weer troosten en Jeruzalem weer uitkiezen.
Ik keek op en zag, en kijk, daar waren vier hoorns.
Ik zei tegen de Engel die met mij sprak: Wat zijn deze?
Hij zei tegen mij: Dit zijn de hoorns die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.
Hij zei tegen mij: Dit zijn de hoorns die Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.
De HEERE liet mij vier smeden zien.
Toen zei ik: Wat komen die doen?
Hij zei: Dat zijn de hoorns die Juda zo verstrooid hebben dat niemand zijn hoofd nog ophief.
Maar deze smeden zijn gekomen om hen schrik aan te jagen en de hoorns van de volken neer te werpen.
Die hieven hun hoorn op tegen het land Juda om het te verstrooien.
Hij zei: Dat zijn de hoorns die Juda zo verstrooid hebben dat niemand zijn hoofd nog ophief.
Maar deze smeden zijn gekomen om hen schrik aan te jagen en de hoorns van de volken neer te werpen.
Die hieven hun hoorn op tegen het land Juda om het te verstrooien.