Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

Tobit 1

Ik begroef de doden in Nineve

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Het geslacht van Tobit
Het boek van de geschiedenis van Tobit, de zoon van Tobiël, de zoon van Ananiël, de zoon van Aduël, de zoon van Gabaël, uit de familie van Azaël, uit de stam Naftali.
Hij werd als gevangene weggevoerd in de tijd van Enemessar, de koning van Assyrië.
Hij kwam uit Thisbe, dat rechts van de stad ligt die eigenlijk Naftali heet, boven Aser, in Galilea.
Ik ging naar Jeruzalem toen de anderen afvielen
Ik, Tobit, heb heel mijn leven de wegen van de waarheid en de gerechtigheid gegaan.
Ik heb veel weggegeven aan mijn volksgenoten, aan het volk dat samen met mij naar Nineve in Assyrië was weggevoerd.
Toen ik nog jong was en in mijn eigen land woonde, in Israël, keerde de hele stam Naftali, de stam van mijn vader, zich af van het huis van God in Jeruzalem, dat uit alle stammen van Israël was uitgekozen.
Daar moesten alle stammen offeren; daar was de tempel, de woning van de Allerhoogste, geheiligd en gebouwd voor alle geslachten.
Maar alle stammen die afvallig waren geworden, ook het huis van mijn vader Naftali, offerden aan het kalf van Baäl.
Ik reisde vaak als enige naar Jeruzalem voor de feestdagen, zoals heel Israël voor altijd is opgedragen.
Ik nam de eerste opbrengst en het tiende deel van de oogst mee, en de eerste wol, en gaf dat aan de priesters, de zonen van Aäron, bij het altaar.
Het eerste tiende deel van alle opbrengst gaf ik aan de nakomelingen van Aäron die in Jeruzalem dienst deden.
Het tweede tiende deel verkocht ik, en ik ging op reis en besteedde het elk jaar in Jeruzalem.
Het derde deel gaf ik aan wie er recht op hadden, zoals Debora, de moeder van mijn vader, mij had opgedragen, want mijn vader was gestorven en ik was wees.
Toen ik volwassen was, trouwde ik met Anna, uit onze eigen familie, en bij haar kreeg ik Tobias.
Ik at niet van het eten van de volken
Toen ik als gevangene naar Nineve was weggevoerd,
aten al mijn volksgenoten en mijn familieleden van het eten van de volken,
maar ik hield mij in en at daar niet van,
omdat ik met heel mijn hart aan de Heere dacht.
De Allerhoogste gaf mij genade en aanzien bij Enemessar, en ik werd zijn inkoper.
Ik reisde naar Medië,
en ik gaf tien talenten zilver in bewaring aan Gabaël, de broer van Gabriël, in de stad Rages in Medië.
Toen Enemessar gestorven was, werd zijn zoon Sanherib koning in zijn plaats.
Zijn bewind was onrustig, en ik kon niet meer naar Medië reizen.
Ik begroef de doden en moest vluchten
In de tijd van Enemessar had ik veel weggegeven aan mijn volksgenoten.
Ik gaf mijn brood aan wie honger hadden en kleren aan wie niets aanhadden.
Zag ik iemand uit mijn volk die gestorven was en bij de muur van Nineve was neergegooid, dan begroef ik hem.
Als koning Sanherib iemand had gedood die uit Judea gevlucht was, haalde ik hem stiekem weg en begroef hem.
Hij doodde er velen in zijn woede, en de lichamen werden door de koning gezocht maar niet gevonden.
Een van de inwoners van Nineve ging naar de koning en vertelde hem dat ik die mensen begroef.
Ik verstopte mij, en toen ik begreep dat men mij zocht om te doden, ben ik uit angst gevlucht.
Al mijn bezit werd geplunderd.
Mij bleef niets over dan Anna, mijn vrouw, en Tobias, mijn zoon.
Er gingen nog geen vijfenvijftig dagen voorbij of twee van zijn zonen doodden hem.
Zij vluchtten naar het gebergte Ararat, en zijn zoon Assar-Haddon werd koning in zijn plaats.
Die stelde Achiachar aan, de zoon van Anaël, mijn broer, over alle rekeningen en over heel het bestuur van zijn vader.
Achiachar deed een goed woord voor mij, en ik kwam terug in Nineve.
Achiachar was schenker, zegelbewaarder, huisbestuurder en rekenmeester, en Assar-Haddon maakte hem tweede man naast zichzelf.
Hij was de zoon van mijn broer.

Download hoofdstuk als tekstbestand