Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

Susanna 1

Susanna en de twee rechters

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 9 minuten
Twee rechters uit het volk
Er woonde in Babel een man die Jojakim heette.
Hij trouwde met een vrouw die Susanna heette, een dochter van Chelkias.
Zij was heel mooi en had ontzag voor de Heere.
Want haar ouders waren rechtvaardig en hadden hun dochter onderwezen volgens de wet van Mozes.
Jojakim was heel rijk.
Hij had een tuin naast zijn huis, en de Joden kwamen bij hem samen, omdat hij de aanzienlijkste van hen allen was.
In datzelfde jaar werden twee oudsten uit het volk als rechters aangesteld.
Over hen had de Heere gezegd dat er onrecht was uitgegaan van Babel, van oudsten en rechters die het volk leken te leiden.
Zij waren voortdurend in het huis van Jojakim, en iedereen die een rechtszaak had, kwam bij hen.
Zij loeren op haar in de tuin
Als het volk 's middags vertrokken was, ging Susanna wandelen in de tuin van haar man.
De twee oudsten zagen haar elke dag de tuin in gaan en wandelen, en zij ontbrandden in begeerte naar haar.
Zij verdraaiden hun eigen verstand en wendden hun ogen af, zodat zij niet naar de hemel keken en niet aan rechtvaardige oordelen dachten.
Zij waren allebei op haar ontbrand, maar zij vertelden elkaar hun pijn niet,
omdat zij zich schaamden om hun begeerte te vertellen en dat zij met haar wilden slapen.
Elke dag loerden zij op de kans om haar te zien.
Zij zeiden tegen elkaar: Kom, laten wij naar huis gaan, want het is etenstijd.
Zij gingen naar buiten en namen afscheid, maar zij keerden om en kwamen op hetzelfde moment weer samen.
Toen zij elkaar naar de reden vroegen, bekenden zij elkaar hun begeerte.
Toen spraken zij samen een geschikt moment af waarop zij haar alleen zouden kunnen treffen.
In de tuin
Toen zij een goede dag hadden uitgekozen, kwam Susanna zoals zij dagelijks gewend was, alleen met twee dienstmeisjes, en zij wilde zich in de tuin wassen, want het was erg warm.
Er was daar niemand behalve de twee oudsten, die zich verstopt hadden en op haar loerden.
Zij zei tegen haar dienstmeisjes: Haal zalf en zeep voor mij en sluit de deuren van de tuin, zodat ik mij kan wassen.
Zij deden wat zij zei.
Zij sloten de deuren van de tuin en gingen door een zijdeur naar buiten om te halen wat haar opgedragen was.
Zij zagen de oudsten niet, omdat die zich verstopt hadden.
Toen de dienstmeisjes weg waren, stonden de twee oudsten op, liepen naar haar toe en zeiden:
Kijk, de deuren van de tuin zijn dicht en niemand ziet ons, en wij branden van verlangen naar je.
Doe daarom wat wij willen en slaap met ons.

Maar als je dat niet doet, zullen wij tegen je getuigen dat er een jongeman bij je was en dat je daarom je dienstmeisjes hebt weggestuurd.
Susanna zuchtte diep en zei: Ik zit van alle kanten klem.
Want als ik dat doe, ben ik des doods; en als ik het niet doe, ontkom ik niet aan jullie handen.

Maar het is beter voor mij om het niet te doen en in jullie handen te vallen, dan te zondigen tegen de Heere.
En Susanna riep met luide stem, en de twee oudsten schreeuwden tegen haar in.
Een van hen rende weg en deed de deuren van de tuin open.
Toen de mensen van het huis het geschreeuw in de tuin hoorden, renden zij door de zijdeur naar binnen om te zien wat haar overkomen was.
Toen de oudsten hun verhaal deden, schaamden de knechten zich diep, want zoiets was nooit eerder over Susanna gezegd.
Ter dood veroordeeld
De volgende dag kwam het volk bijeen in het huis van haar man Jojakim, en ook de twee oudsten kwamen, vol kwade plannen tegen Susanna om haar te laten doden.
Zij zeiden tegen het volk: Laat Susanna halen, de dochter van Chelkias, de vrouw van Jojakim.
En zij lieten haar halen.
Zij kwam met haar ouders, haar kinderen en heel haar familie.
Susanna was heel fijn en mooi van gezicht.
Daarom gaven die schurken bevel dat zij haar gezicht moest ontbloten, want zij was gesluierd, zodat zij zich aan haar schoonheid konden verzadigen.
Wie bij haar waren en allen die haar zagen, huilden.
De twee oudsten stonden op midden in het volk en legden hun handen op haar hoofd.
Maar zij huilde en keek omhoog naar de hemel, want haar hart vertrouwde op de Heere.
De oudsten zeiden: Toen wij alleen in de tuin wandelden, kwam zij binnen met twee dienstmeisjes, deed de deuren van de tuin dicht en stuurde de meisjes weg.
Er kwam een jongeman naar haar toe, die zich verstopt had, en hij ging bij haar liggen.
Maar wij waren in de hoek van de tuin, en toen wij die schande zagen, renden wij naar haar toe.
Wij zagen hen bij elkaar, maar wij konden die jongeman niet vastgrijpen, omdat hij sterker was dan wij.
Hij deed de deuren open en sprong naar buiten.

Maar haar grepen wij vast en wij vroegen haar wie die jongeman was, en zij wilde het ons niet zeggen.
Dit getuigen wij.

De vergadering geloofde hen, omdat zij oudsten en rechters van het volk waren, en zij veroordeelden haar ter dood.
Maar Susanna riep met luide stem: Eeuwige God, U die de verborgen dingen kent en alles weet voordat het gebeurt,
U weet dat zij leugens tegen mij getuigen.
En kijk, ik moet sterven, terwijl ik niets gedaan heb van wat zij vals tegen mij getuigen.

En God hoorde haar stem.
Daniël onderbreekt de gang naar de dood
Toen men haar wegvoerde om te sterven, wekte God de heilige geest op van een jongeman die Daniël heette.
Hij riep met luide stem: Ik ben vrij van dit bloed.
Heel het volk draaide zich naar hem om en zei: Wat zijn dat voor woorden die jij gesproken hebt?
Maar hij ging midden tussen hen staan en zei: Zijn jullie zo dwaas, Israëlieten, dat jullie een dochter van Israël veroordelen voordat jullie de zaak onderzocht hebben en de waarheid kennen?
Ga terug naar de rechtszitting, want zij hebben vals tegen haar getuigd.
Heel het volk keerde haastig terug, en de oudsten zeiden tegen hem: Kom hier en ga in ons midden zitten en leg het ons uit, want God heeft jou het rechtersambt gegeven.
Daniël zei tegen hen: Zet die twee ver uit elkaar, dan zal ik hen ondervragen.
Toen de een van de ander gescheiden was, riep hij er een bij zich en zei tegen hem: Jij bent oud geworden in slechte dagen.
Nu komen je zonden over je die je vroeger gedaan hebt,
toen je onrechtvaardige vonnissen velde, de onschuldige veroordeelde en de schuldige liet gaan, terwijl de Heere zegt: je zult de onschuldige en de rechtvaardige niet doden.
Onder welke boom?
Vooruit dan, als je hen gezien hebt, zeg dan onder welke boom je hen bij elkaar hebt zien zijn.
En hij zei: Onder een mastiekboom.
Toen zei Daniël: Heel goed.
Je hebt tegen je eigen hoofd gelogen, want de engel van de Heere zal nu bevel van God krijgen en je middendoor klieven.

Toen hij hem had laten weggaan, gaf hij bevel de ander voor te brengen, en hij zei tegen hem: Jij nakomeling van Kanaän en niet van Juda, de schoonheid heeft je bedrogen en de begeerte heeft je hart verdraaid.
Zo hebben jullie het met de dochters van Israël gedaan, en die gingen uit angst met jullie mee.
Maar deze dochter van Juda heeft jullie slechtheid niet verdragen.

Zeg mij nu: onder welke boom heb je hen betrapt terwijl zij bij elkaar waren?
En hij zei: Onder een eik.
Toen zei Daniël tegen hem: Heel goed.
Ook jij hebt tegen je eigen hoofd gelogen, want de engel van God, die het zwaard heeft, staat klaar om je middendoor te houwen en jullie uit te roeien.

En heel de vergadering riep met luide stem en zij prezen God, die een Redder is van wie op Hem hopen.
Zij kwamen in opstand tegen de twee oudsten, omdat Daniël hen uit hun eigen mond van vals getuigenis had ontmaskerd.
Zij deden met hen naar de wet van Mozes, zoals zij hun naaste kwaad hadden willen doen, en zij doodden hen.
Zo werd die dag onschuldig bloed gered.
Chelkias en zijn vrouw prezen God om hun dochter Susanna, samen met haar man Jojakim en heel haar familie, omdat er niets oneerlijks bij haar was gevonden.
En Daniël werd groot voor het volk, vanaf die dag en daarna.

Download hoofdstuk als tekstbestand