Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Spreuken 31

De woorden van koning Lemuël

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Wat zijn moeder hem leerde
De woorden van koning Lemuël, de uitspraak waarmee zijn moeder hem onderwees.
Wat, mijn zoon?
Wat, zoon van mijn schoot?
Wat, zoon van mijn geloften?
Geef je kracht niet aan vrouwen, en ga niet de weg van wie koningen ten val brengt.
Het past koningen niet, Lemuël, het past koningen niet om wijn te drinken, en heersers niet om naar sterke drank te verlangen.
Anders drinken zij en vergeten zij de wet, en verdraaien zij het recht van alle verdrukten.
Geef sterke drank aan wie ten onder gaat, en wijn aan wie bitter bedroefd is.
Laat hem drinken en zijn armoede vergeten.
Laat hem niet meer aan zijn ellende denken.
Doe je mond open voor wie zelf niet kan spreken, voor het recht van allen die dreigen om te komen.
Doe je mond open, spreek rechtvaardig recht en kom op voor wie arm en verdrukt is.
De lofzang op een sterke vrouw
Wie vindt een sterke vrouw?
Zij is veel meer waard dan robijnen.
Het hart van haar man vertrouwt op haar, en het zal hem aan niets ontbreken.
Zij doet hem goed en geen kwaad, alle dagen van haar leven.
Zij zoekt wol en vlas en werkt met plezier met haar handen.
Zij is als de schepen van een koopman: zij haalt haar brood van ver.
Zij staat op als het nog nacht is, geeft haar huis te eten en haar dienstmeisjes hun deel.
Zij zet haar zinnen op een akker en koopt die.
Van wat zij verdient, plant zij een wijngaard.
Zij omgordt haar middel met kracht en maakt haar armen sterk.
Zij merkt dat haar handel goed gaat.
's Nachts gaat haar lamp niet uit.
Zij strekt haar handen uit naar het spinrokken, en haar vingers houden de spoel vast.
Zij opent haar hand voor wie arm is en strekt haar handen uit naar wie in nood is.
Zij is niet bang voor de sneeuw voor haar huis, want haar hele huis is warm gekleed.
Zij maakt zelf haar dekens.
Haar kleding is van fijn linnen en purper.
Haar man is bekend in de poorten, als hij daar zit met de oudsten van het land.
Zij maakt fijne kleden en verkoopt ze.
Zij levert gordels aan de koopman.
Kracht en waardigheid zijn haar kleding.
Zij lacht om de dag die komt.
Zij doet haar mond open met wijsheid, en op haar tong ligt vriendelijk onderwijs.
Zij let goed op wat er in haar huis gebeurt en eet het brood van de luiheid niet.
Haar kinderen staan op en prijzen haar gelukkig.
Ook haar man prijst haar:
Veel vrouwen hebben zich sterk getoond, maar jij overtreft ze allemaal.
Charme is bedrieglijk en schoonheid is vluchtig, maar een vrouw met ontzag voor de HEERE wordt geprezen.
Geef haar de vrucht van haar handen.
Laat haar werk haar prijzen in de poorten.

Download hoofdstuk als tekstbestand