Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Richteren 11

Jefta

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Jefta wordt teruggehaald
Jefta, de Gileadiet, was een dapper strijder.
Hij was de zoon van een prostituee, en Gilead was zijn vader.
Ook de vrouw van Gilead baarde hem zonen.
Toen die zonen groot waren, joegen zij Jefta weg.
Zij zeiden tegen hem: Jij krijgt geen erfdeel in de familie van onze vader, want je bent de zoon van een andere vrouw.
Jefta vluchtte voor zijn broers en ging in het land Tob wonen.
Daar verzamelden zich nietsnutten om Jefta heen, die met hem op pad gingen.
Enige tijd later begonnen de Ammonieten oorlog tegen Israël.
Toen de Ammonieten tegen Israël streden, gingen de oudsten van Gilead Jefta uit het land Tob halen.
Zij zeiden tegen Jefta: Kom, word onze aanvoerder, dan kunnen wij tegen de Ammonieten strijden.
Maar Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: Hebben jullie mij niet gehaat en mij uit de familie van mijn vader weggejaagd?
Waarom komen jullie nu naar mij toe, nu jullie in nood zijn?

De oudsten van Gilead zeiden tegen Jefta: Daarom komen wij nu juist terug bij jou.
Ga met ons mee en strijd tegen de Ammonieten.
Dan word je het hoofd over alle inwoners van Gilead.

Jefta zei tegen de oudsten van Gilead: Jullie willen mij terughalen om tegen de Ammonieten te strijden.
Als de HEERE hen dan aan mij overlevert, word ik dan echt jullie hoofd?

De oudsten van Gilead zeiden tegen Jefta: De HEERE is getuige tussen ons.
Wij zullen zeker doen wat je zegt.

Toen ging Jefta met de oudsten van Gilead mee, en het volk maakte hem tot hoofd en aanvoerder.
Jefta herhaalde al zijn woorden voor de HEERE in Mizpa.
Jefta en de koning van Ammon
Jefta stuurde boden naar de koning van de Ammonieten en liet zeggen: Wat heeft u tegen mij?
Waarom bent u naar mij toe gekomen om mijn land aan te vallen?

De koning van de Ammonieten zei tegen de boden van Jefta: Israël heeft mijn land afgenomen toen het uit Egypte kwam.
Het ging van de Arnon tot de Jabbok en de Jordaan.
Geef het mij nu vreedzaam terug.

Jefta stuurde opnieuw boden naar de koning van de Ammonieten.
Hij liet zeggen: Zo zegt Jefta: Israël heeft het land van Moab en het land van de Ammonieten niet afgenomen.
Toen Israël uit Egypte kwam, trok het door de woestijn tot aan de Schelfzee en kwam in Kades.
Israël stuurde boden naar de koning van Edom met de vraag: Laat mij door uw land trekken.
Maar de koning van Edom luisterde niet.
Israël vroeg het ook aan de koning van Moab, maar ook die wilde niet.
Daarom bleef Israël in Kades.

Daarna trok het door de woestijn en om het land van Edom en Moab heen.
Het kwam aan de oostkant van het land van Moab en sloeg zijn kamp op aan de overkant van de Arnon.
Maar het kwam niet in het gebied van Moab, want de Arnon is de grens van Moab.

Toen stuurde Israël boden naar Sihon, de koning van de Amorieten, de koning van Hesbon.
Israël liet hem zeggen: Laat ons toch door uw land trekken naar onze plaats.

Maar Sihon vertrouwde Israël niet en liet het niet door zijn gebied trekken.
Sihon verzamelde al zijn volk, sloeg zijn kamp op in Jahaz en streed tegen Israël.

De HEERE, de God van Israël, gaf Sihon met al zijn volk in de macht van Israël, en zij versloegen hen.
Zo nam Israël het hele land van de Amorieten in bezit, die daar woonden.

Zij namen het hele gebied van de Amorieten in bezit, van de Arnon tot de Jabbok en van de woestijn tot de Jordaan.
Zo heeft de HEERE, de God van Israël, de Amorieten voor Zijn volk Israël uit verdreven.
En zou u hun land nu in bezit nemen?

Neemt u niet in bezit wat uw god Kamos u geeft?
Zo nemen wij alles in bezit wat de HEERE, onze God, voor ons verdrijft.

Bent u soms beter dan Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab?
Heeft hij ooit ruzie gezocht met Israël of oorlog tegen hen gevoerd?

Israël woont al 300 jaar in Hesbon en Aroër met de dorpen eromheen, en in alle steden langs de Arnon.
Waarom hebt u ze in al die tijd niet teruggenomen?

Ik heb niets tegen u misdaan, maar u doet mij onrecht door tegen mij te strijden.
Laat de HEERE, de Rechter, vandaag rechtspreken tussen de Israëlieten en de Ammonieten.

Maar de koning van de Ammonieten luisterde niet naar de boodschap die Jefta hem gestuurd had.
De gelofte van Jefta
Toen kwam de Geest van de HEERE over Jefta.
Hij trok door Gilead en Manasse, en naar Mizpa in Gilead.
Van Mizpa in Gilead trok hij op tegen de Ammonieten.
Jefta deed de HEERE een gelofte: Als U de Ammonieten werkelijk in mijn macht geeft,
dan zal wat mij het eerst tegemoet komt uit de deur van mijn huis, als ik behouden terugkom van de Ammonieten, voor de HEERE zijn.
Ik zal het als brandoffer brengen.

Toen trok Jefta op tegen de Ammonieten om tegen hen te strijden, en de HEERE gaf hen in zijn macht.
Hij bracht hun een zware nederlaag toe, van Aroër tot waar men Minnith binnenkomt, twintig steden, en tot Abel-Keramim.
Zo werden de Ammonieten aan de Israëlieten onderworpen.
Toen Jefta bij zijn huis in Mizpa kwam, kwam zijn dochter hem tegemoet met tamboerijnen en dansen.
Zij was zijn enige kind.
Hij had verder geen zoon of dochter.
Toen hij haar zag, scheurde hij zijn kleren en zei: Ach, mijn dochter, je brengt mij helemaal in de ellende!
Jij bent een van hen die mij in het ongeluk storten.
Want ik heb de HEERE iets beloofd, en ik kan niet terug.

Zij zei tegen hem: Mijn vader, als u de HEERE iets beloofd hebt, doe dan met mij wat u beloofd hebt.
De HEERE heeft u immers volledig gewroken op uw vijanden, de Ammonieten.

Zij zei verder tegen haar vader: Sta mij één ding toe.
Laat mij twee maanden gaan.
Dan trek ik de bergen in en huil ik met mijn vriendinnen erom dat ik maagd blijf.

Hij zei: Ga maar.
Hij liet haar twee maanden gaan.
Zij ging met haar vriendinnen weg en huilde in de bergen erom dat zij maagd bleef.
Na die twee maanden kwam zij terug bij haar vader, en hij voltrok aan haar de gelofte die hij had gedaan.
Zij had nooit met een man geslapen.
Het werd een gewoonte in Israël
dat de dochters van Israël elk jaar vier dagen weggingen om met de dochter van Jefta, de Gileadiet, te spreken.

Download hoofdstuk als tekstbestand