Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Psalmen 78
Wij vertellen het aan de kinderen
Luister, mijn volk
Een lied van Asaf om van te leren.
Luister, mijn volk, naar mijn onderricht.
Spits je oren voor de woorden van mijn mond.
Luister, mijn volk, naar mijn onderricht.
Spits je oren voor de woorden van mijn mond.
Ik zal mijn mond opendoen met spreuken.
Ik zal raadsels van vroeger naar buiten brengen.
Ik zal raadsels van vroeger naar buiten brengen.
Wat wij gehoord hebben en weten, wat onze vaders ons verteld hebben,
dat verbergen wij niet voor hun kinderen.
Wij vertellen aan het volgende geslacht over de roemrijke daden van de HEERE, over Zijn kracht en de wonderen die Hij deed.
Wij vertellen aan het volgende geslacht over de roemrijke daden van de HEERE, over Zijn kracht en de wonderen die Hij deed.
Want Hij richtte een getuigenis op in Jakob en gaf een wet in Israël.
Hij gebood onze vaderen om het aan hun kinderen bekend te maken.
Hij gebood onze vaderen om het aan hun kinderen bekend te maken.
Zo zou het volgende geslacht het weten, de kinderen die nog geboren moesten worden.
En zij zouden opstaan en het aan hun kinderen vertellen.
En zij zouden opstaan en het aan hun kinderen vertellen.
Dan zouden zij hun hoop op God stellen, Gods daden niet vergeten en Zijn geboden bewaren.
Dan zouden zij niet worden als hun vaderen, een koppig en opstandig geslacht.
Dat was een geslacht dat zijn hart niet op God richtte en met zijn geest niet trouw was.
Dat was een geslacht dat zijn hart niet op God richtte en met zijn geest niet trouw was.
De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.
Zij hielden Gods verbond niet.
Zij weigerden te leven naar Zijn wet.
Zij weigerden te leven naar Zijn wet.
Zij vergaten Zijn daden en de wonderen die Hij hun had laten zien.
Wonderen in Egypte en de woestijn
Voor hun vaderen had Hij wonderen gedaan in Egypte, in de vlakte van Soan.
Hij spleet de zee en liet hen erdoor gaan.
Hij liet het water staan als een dam.
Hij liet het water staan als een dam.
Overdag leidde Hij hen met een wolk, en de hele nacht met een licht van vuur.
Hij spleet de rotsen in de woestijn en gaf hun overvloedig te drinken, als uit diepe wateren.
Want Hij liet stromen komen uit de rots.
Hij liet het water neerdalen als rivieren.
Hij liet het water neerdalen als rivieren.
Toch bleven zij tegen Hem zondigen.
In het dorre land tergden zij de Allerhoogste.
In het dorre land tergden zij de Allerhoogste.
Zij daagden God uit in hun hart en vroegen om eten waar ze zin in hadden.
Zij spraken tegen God.
Ze zeiden: Kan God een tafel dekken in de woestijn?
Ze zeiden: Kan God een tafel dekken in de woestijn?
Kijk, Hij sloeg op de rots en er stroomde water uit, beken kwamen naar buiten.
Maar kan Hij ook brood geven?
Kan Hij Zijn volk vlees bezorgen?
Maar kan Hij ook brood geven?
Kan Hij Zijn volk vlees bezorgen?
Daarom hoorde de HEERE het en werd Hij boos.
Een vuur ontbrandde tegen Jakob en Zijn woede laaide op tegen Israël.
Een vuur ontbrandde tegen Jakob en Zijn woede laaide op tegen Israël.
Want zij geloofden niet in God en vertrouwden niet op Zijn redding.
Toch gaf Hij bevel aan de wolken boven en opende Hij de deuren van de hemel.
Hij liet manna op hen regenen om te eten.
Hij gaf hun koren uit de hemel.
Hij gaf hun koren uit de hemel.
Ieder at het brood van de engelen.
Hij stuurde hun voedsel in overvloed.
Hij stuurde hun voedsel in overvloed.
Hij liet de oostenwind opsteken aan de hemel.
Door Zijn kracht dreef Hij de zuidenwind aan.
Door Zijn kracht dreef Hij de zuidenwind aan.
Hij liet vlees op hen regenen als stof, gevleugelde vogels als zand aan de zee.
Hij liet het vallen midden in hun kamp, rondom hun tenten.
Toen aten zij en werden meer dan verzadigd.
Hij gaf hun waar ze zin in hadden.
Hij gaf hun waar ze zin in hadden.
Maar ze waren hun begeerte nog niet kwijt.
Het eten zat nog in hun mond,
Het eten zat nog in hun mond,
toen de woede van God tegen hen opkwam.
Hij doodde de sterksten onder hen en velde de jonge mannen van Israël.
Hij doodde de sterksten onder hen en velde de jonge mannen van Israël.
Toch bleven zij zondigen
Ondanks dit alles zondigden zij door.
Zij geloofden niet, ook al zagen ze Zijn wonderen.
Zij geloofden niet, ook al zagen ze Zijn wonderen.
Daarom liet Hij hun dagen vervliegen als een ademtocht en hun jaren in schrik.
Als Hij hen doodde, vroegen ze naar Hem.
Ze keerden om en zochten God weer.
Ze keerden om en zochten God weer.
Dan dachten ze eraan dat God hun rots was, dat God, de Allerhoogste, hun bevrijder was.
Maar ze vleiden Hem met hun mond en logen tegen Hem met hun tong.
Want hun hart was niet trouw aan Hem.
Ze waren niet betrouwbaar in Zijn verbond.
Ze waren niet betrouwbaar in Zijn verbond.
Maar Hij is barmhartig.
Hij vergaf hun schuld en verwoestte hen niet.
Vaak hield Hij Zijn woede in en liet Zijn toorn niet losbreken.
Hij vergaf hun schuld en verwoestte hen niet.
Vaak hield Hij Zijn woede in en liet Zijn toorn niet losbreken.
Hij bedacht dat zij maar mensen waren, een wind die weggaat en niet terugkomt.
Hoe vaak tergden zij Hem in de woestijn en deden zij Hem pijn in de wildernis.
Steeds opnieuw daagden zij God uit.
Zij stelden de Heilige van Israël grenzen.
Zij stelden de Heilige van Israël grenzen.
Zij dachten niet aan Zijn hand, aan de dag dat Hij hen van de vijand verloste.
Zij dachten niet aan Zijn tekenen in Egypte, aan Zijn wonderen in de vlakte van Soan.
De plagen over Egypte
Hij veranderde hun rivieren in bloed, ook hun beken, zodat ze niet konden drinken.
Hij stuurde steekvliegen op hen af die hen opvraten, en kikkers die hen te gronde richtten.
Hij gaf hun oogst aan de vraatzuchtige insecten, de vrucht van hun werk aan de sprinkhanen.
Hij vernielde hun wijnstokken met hagel en hun vijgenbomen met ijzel.
Hij gaf hun vee over aan de hagel en hun kudden aan de bliksem.
Hij stuurde Zijn brandende woede op hen af, verbolgenheid, woede en benauwdheid, een schare boden van onheil.
Hij baande een pad voor Zijn woede.
Hij spaarde hun leven niet.
Hun vee gaf Hij prijs aan de pest.
Hij spaarde hun leven niet.
Hun vee gaf Hij prijs aan de pest.
Hij sloeg alle oudste zonen in Egypte, de eerste kracht in de tenten van Cham.
Maar Zijn eigen volk leidde Hij weg als schapen.
Als een kudde bracht Hij hen door de woestijn.
Als een kudde bracht Hij hen door de woestijn.
Hij leidde hen veilig, zodat zij niet bang waren.
Maar de zee bedekte hun vijanden.
Maar de zee bedekte hun vijanden.
Hij bracht hen naar Zijn heilig gebied, naar deze berg die Zijn rechterhand verworven had.
Hij verdreef de volken voor hen uit.
Hij verdeelde hun erfdeel met het meetsnoer en liet de stammen van Israël in hun tenten wonen.
Hij verdeelde hun erfdeel met het meetsnoer en liet de stammen van Israël in hun tenten wonen.
Hij koos Juda en David
Toch daagden zij God uit, de Allerhoogste, en tergden zij Hem.
Zij hielden Zijn geboden niet.
Zij hielden Zijn geboden niet.
Zij keerden terug en waren ontrouw, net als hun vaderen.
Zij bleken onbetrouwbaar als een kromme boog.
Zij bleken onbetrouwbaar als een kromme boog.
Zij maakten Hem boos met hun offerhoogten.
Zij tergden Hem met hun beelden.
Zij tergden Hem met hun beelden.
God hoorde het en werd woedend.
Hij wees Israël volledig af.
Hij wees Israël volledig af.
Daarom verliet Hij de tabernakel in Silo, de tent waarin Hij onder de mensen woonde.
Hij gaf Zijn sterkte over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de vijand.
Hij leverde Zijn volk over aan het zwaard.
Hij was woedend op Zijn erfdeel.
Hij was woedend op Zijn erfdeel.
Het vuur verteerde hun jonge mannen.
Voor hun meisjes werd geen bruiloftslied gezongen.
Voor hun meisjes werd geen bruiloftslied gezongen.
Hun priesters vielen door het zwaard.
Hun weduwen konden niet eens huilen.
Hun weduwen konden niet eens huilen.
Toen werd de Heere wakker als iemand die slaapt, als een held die zich oprichtte na de wijn.
Hij sloeg Zijn vijanden terug.
Hij bezorgde hun een eeuwige schande.
Hij bezorgde hun een eeuwige schande.
Hij wees de tent van Jozef af.
De stam Efraïm koos Hij niet.
De stam Efraïm koos Hij niet.
Maar Hij koos de stam Juda, de berg Sion, waar Hij van hield.
Hij bouwde Zijn heiligdom hoog als de hemel, vast als de aarde die Hij voor altijd grondvestte.
Hij koos Zijn dienaar David en haalde hem weg bij de schaapskooien.
Vanachter de zogende schapen haalde Hij hem, om Jakob te weiden, Zijn volk, en Israël, Zijn erfdeel.
En hij weidde hen met een zuiver hart.
Met kundige hand leidde hij hen.
Met kundige hand leidde hij hen.