Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Nieuwe Testament
Lukas 3
Johannes bereidt de weg voor Jezus
Johannes roept mensen op zich te bekeren
Het was het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius.
Pontius Pilatus bestuurde Judea.
Herodes heerste over Galilea, zijn broer Filippus over Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene.
Pontius Pilatus bestuurde Judea.
Herodes heerste over Galilea, zijn broer Filippus over Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene.
Annas en Kajafas waren toen de hogepriesters.
In die tijd sprak God in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias.
In die tijd sprak God in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias.
Johannes trok door heel de streek rond de Jordaan.
Hij verkondigde dat mensen zich moesten bekeren en laten dopen om vergeving van zonden te ontvangen.
Hij verkondigde dat mensen zich moesten bekeren en laten dopen om vergeving van zonden te ontvangen.
In het boek van de profeet Jesaja staat: Een stem roept in de woestijn: Maak de weg voor de Heere gereed.
Maak Zijn paden recht.
Maak Zijn paden recht.
Elk dal zal worden opgevuld en elke berg en heuvel afgevlakt.
Kronkelende wegen worden recht en oneffen wegen worden vlak.
Kronkelende wegen worden recht en oneffen wegen worden vlak.
Alle mensen zullen de redding van God zien.
Johannes zei tegen de mensen die kwamen om zich door hem te laten dopen: Addergebroed!
Wie heeft jullie gewaarschuwd om voor de komende toorn te vluchten?
Wie heeft jullie gewaarschuwd om voor de komende toorn te vluchten?
Laat daden zien die bij bekering passen.
Denk niet bij julliezelf: Wij hebben Abraham als vader.
Ik zeg jullie dat God uit deze stenen kinderen voor Abraham kan verwekken.
Denk niet bij julliezelf: Wij hebben Abraham als vader.
Ik zeg jullie dat God uit deze stenen kinderen voor Abraham kan verwekken.
De bijl ligt al klaar bij de wortel van de bomen.
Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid.
Elke boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur gegooid.
De mensen vroegen hem: Wat moeten wij dan doen?
Johannes antwoordde: Wie twee mantels heeft, moet er één geven aan iemand die niets heeft.
Wie eten heeft, moet hetzelfde doen.
Wie eten heeft, moet hetzelfde doen.
Ook tollenaars kwamen om gedoopt te worden.
Ze vroegen hem: Meester, wat moeten wij doen?
Ze vroegen hem: Meester, wat moeten wij doen?
Johannes antwoordde: Vraag niet meer geld dan het bedrag dat jullie moeten innen.
Ook soldaten vroegen hem: En wij, wat moeten wij doen?
Johannes antwoordde: Pers niemand af en beschuldig niemand vals.
Wees tevreden met jullie soldij.
Johannes antwoordde: Pers niemand af en beschuldig niemand vals.
Wees tevreden met jullie soldij.
Johannes wijst op de komende Christus
Het volk leefde vol verwachting.
Iedereen vroeg zich af of Johannes misschien de Christus was.
Iedereen vroeg zich af of Johannes misschien de Christus was.
Daarom zei Johannes tegen hen allemaal: Ik doop jullie met water.
Maar er komt Iemand die sterker is dan ik.
Ik ben het niet waard om de riem van Zijn sandalen los te maken.
Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur.
Maar er komt Iemand die sterker is dan ik.
Ik ben het niet waard om de riem van Zijn sandalen los te maken.
Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur.
Hij staat klaar om Zijn dorsvloer grondig schoon te maken.
De tarwe brengt Hij bijeen in Zijn schuur, maar het kaf verbrandt Hij in onuitblusbaar vuur.
De tarwe brengt Hij bijeen in Zijn schuur, maar het kaf verbrandt Hij in onuitblusbaar vuur.
Met nog veel andere aansporingen bracht Johannes het volk het goede nieuws.
Johannes wees vorst Herodes terecht vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus.
Ook bestrafte hij Herodes om alle andere slechte dingen die hij deed.
Ook bestrafte hij Herodes om alle andere slechte dingen die hij deed.
Daar voegde Herodes nog een misdaad aan toe: hij sloot Johannes op in de gevangenis.
Jezus wordt gedoopt
Toen heel het volk gedoopt werd, werd ook Jezus gedoopt.
Terwijl Hij bad, ging de hemel open.
Terwijl Hij bad, ging de hemel open.
De Heilige Geest daalde in een zichtbare vorm als een duif op Hem neer.
Uit de hemel klonk een stem: U bent mijn geliefde Zoon.
In U vind ik vreugde.
Uit de hemel klonk een stem: U bent mijn geliefde Zoon.
In U vind ik vreugde.
De voorouders van Jezus
Jezus was ongeveer 30 jaar oud toen Hij aan Zijn werk begon.
Men dacht dat Hij de zoon van Jozef was.
Jozef was de zoon van Heli.
Men dacht dat Hij de zoon van Jozef was.
Jozef was de zoon van Heli.
Heli was de zoon van Matthat.
Matthat was de zoon van Levi.
Levi was de zoon van Melchi.
Melchi was de zoon van Janna.
Janna was de zoon van Jozef.
Matthat was de zoon van Levi.
Levi was de zoon van Melchi.
Melchi was de zoon van Janna.
Janna was de zoon van Jozef.
Jozef was de zoon van Mattathias.
Mattathias was de zoon van Amos.
Amos was de zoon van Naüm.
Naüm was de zoon van Esli.
Esli was de zoon van Naggai.
Mattathias was de zoon van Amos.
Amos was de zoon van Naüm.
Naüm was de zoon van Esli.
Esli was de zoon van Naggai.
Naggai was de zoon van Maäth.
Maäth was de zoon van Mattathias.
Mattathias was de zoon van Semeï.
Semeï was de zoon van Jozef.
Jozef was de zoon van Juda.
Maäth was de zoon van Mattathias.
Mattathias was de zoon van Semeï.
Semeï was de zoon van Jozef.
Jozef was de zoon van Juda.
Juda was de zoon van Johannes.
Johannes was de zoon van Rhesa.
Rhesa was de zoon van Zorobabel.
Zorobabel was de zoon van Salathiël.
Salathiël was de zoon van Neri.
Johannes was de zoon van Rhesa.
Rhesa was de zoon van Zorobabel.
Zorobabel was de zoon van Salathiël.
Salathiël was de zoon van Neri.
Neri was de zoon van Melchi.
Melchi was de zoon van Addi.
Addi was de zoon van Kosam.
Kosam was de zoon van Elmodam.
Elmodam was de zoon van Er.
Melchi was de zoon van Addi.
Addi was de zoon van Kosam.
Kosam was de zoon van Elmodam.
Elmodam was de zoon van Er.
Er was de zoon van Joses.
Joses was de zoon van Eliëzer.
Eliëzer was de zoon van Jorim.
Jorim was de zoon van Matthat.
Matthat was de zoon van Levi.
Joses was de zoon van Eliëzer.
Eliëzer was de zoon van Jorim.
Jorim was de zoon van Matthat.
Matthat was de zoon van Levi.
Levi was de zoon van Simeon.
Simeon was de zoon van Juda.
Juda was de zoon van Jozef.
Jozef was de zoon van Jonan.
Jonan was de zoon van Eljakim.
Simeon was de zoon van Juda.
Juda was de zoon van Jozef.
Jozef was de zoon van Jonan.
Jonan was de zoon van Eljakim.
Eljakim was de zoon van Meleas.
Meleas was de zoon van Mainan.
Mainan was de zoon van Mattatha.
Mattatha was de zoon van Nathan.
Nathan was de zoon van David.
Meleas was de zoon van Mainan.
Mainan was de zoon van Mattatha.
Mattatha was de zoon van Nathan.
Nathan was de zoon van David.
David was de zoon van Jesse.
Jesse was de zoon van Obed.
Obed was de zoon van Booz.
Booz was de zoon van Salmon.
Salmon was de zoon van Nahasson.
Jesse was de zoon van Obed.
Obed was de zoon van Booz.
Booz was de zoon van Salmon.
Salmon was de zoon van Nahasson.
Nahasson was de zoon van Aminadab.
Aminadab was de zoon van Aram.
Aram was de zoon van Esrom.
Esrom was de zoon van Fares.
Fares was de zoon van Juda.
Aminadab was de zoon van Aram.
Aram was de zoon van Esrom.
Esrom was de zoon van Fares.
Fares was de zoon van Juda.
Juda was de zoon van Jakob.
Jakob was de zoon van Izak.
Izak was de zoon van Abraham.
Abraham was de zoon van Thara.
Thara was de zoon van Nachor.
Jakob was de zoon van Izak.
Izak was de zoon van Abraham.
Abraham was de zoon van Thara.
Thara was de zoon van Nachor.
Nachor was de zoon van Saruch.
Saruch was de zoon van Ragau.
Ragau was de zoon van Falek.
Falek was de zoon van Heber.
Heber was de zoon van Sala.
Saruch was de zoon van Ragau.
Ragau was de zoon van Falek.
Falek was de zoon van Heber.
Heber was de zoon van Sala.
Sala was de zoon van Kaïnan.
Kaïnan was de zoon van Arfaxad.
Arfaxad was de zoon van Sem.
Sem was de zoon van Noach.
Noach was de zoon van Lamech.
Kaïnan was de zoon van Arfaxad.
Arfaxad was de zoon van Sem.
Sem was de zoon van Noach.
Noach was de zoon van Lamech.
Lamech was de zoon van Mathusala.
Mathusala was de zoon van Enoch.
Enoch was de zoon van Jared.
Jared was de zoon van Malaleël.
Malaleël was de zoon van Kaïnan.
Mathusala was de zoon van Enoch.
Enoch was de zoon van Jared.
Jared was de zoon van Malaleël.
Malaleël was de zoon van Kaïnan.
Kaïnan was de zoon van Enos.
Enos was de zoon van Seth.
Seth was de zoon van Adam.
Adam was de zoon van God.
Enos was de zoon van Seth.
Seth was de zoon van Adam.
Adam was de zoon van God.