Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Nieuwe Testament
Lukas 19
Zacheüs, de ponden en de intocht in Jeruzalem
Zacheüs
Jezus kwam Jericho binnen en trok door de stad.
Daar woonde een man die Zacheüs heette.
Hij was hoofd van de tollenaars en hij was rijk.
Hij was hoofd van de tollenaars en hij was rijk.
Hij wilde graag zien wie Jezus was.
Door de menigte lukte dat niet, want hij was klein van stuk.
Door de menigte lukte dat niet, want hij was klein van stuk.
Daarom rende hij vooruit en klom in een wilde vijgenboom om Hem te kunnen zien.
Jezus zou namelijk langs die weg komen.
Jezus zou namelijk langs die weg komen.
Toen Jezus daar aankwam, keek Hij omhoog en zei tegen hem: Zacheüs, kom snel naar beneden.
Vandaag moet ik in uw huis blijven.
Vandaag moet ik in uw huis blijven.
Hij kwam snel naar beneden en ontving Hem met blijdschap.
Iedereen die het zag, mopperde.
Zij zeiden: Hij is bij een zondig mens naar binnen gegaan om er te logeren.
Zij zeiden: Hij is bij een zondig mens naar binnen gegaan om er te logeren.
Zacheüs ging staan en zei tegen de Heere: Kijk, Heere, de helft van mijn bezit geef ik aan de armen.
En heb ik iemand met bedrog iets afgenomen, dan geef ik het viervoudig terug.
En heb ik iemand met bedrog iets afgenomen, dan geef ik het viervoudig terug.
Jezus zei tegen hem: Vandaag is er redding gekomen in dit huis, want ook deze man is een zoon van Abraham.
Want de Mensenzoon is gekomen om te zoeken en te redden wat verloren was.
De gelijkenis van de ponden
Terwijl zij dit hoorden, vertelde Hij er een gelijkenis bij.
Hij was namelijk dicht bij Jeruzalem en zij dachten dat Gods koninkrijk meteen zichtbaar zou worden.
Hij was namelijk dicht bij Jeruzalem en zij dachten dat Gods koninkrijk meteen zichtbaar zou worden.
Hij zei: Een man van hoge afkomst reisde naar een ver land.
Hij ging er een koningschap ontvangen om daarna terug te keren.
Hij ging er een koningschap ontvangen om daarna terug te keren.
Hij riep tien van zijn knechten en gaf hun tien ponden.
Hij zei tegen hen: Doe hier zaken mee tot ik terugkom.
Hij zei tegen hen: Doe hier zaken mee tot ik terugkom.
Maar zijn landgenoten haatten hem.
Zij stuurden hem een delegatie achterna met de boodschap: Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt.
Zij stuurden hem een delegatie achterna met de boodschap: Wij willen niet dat deze man koning over ons wordt.
Toch kwam hij terug als koning.
Hij liet de knechten roepen aan wie hij het geld had gegeven, om te horen wat ieder had verdiend.
Hij liet de knechten roepen aan wie hij het geld had gegeven, om te horen wat ieder had verdiend.
De eerste kwam en zei: Heer, uw pond heeft er tien opgeleverd.
Hij zei tegen hem: Goed gedaan, goede knecht.
Omdat je in het kleinste betrouwbaar bent geweest, krijg je gezag over tien steden.
Omdat je in het kleinste betrouwbaar bent geweest, krijg je gezag over tien steden.
De tweede kwam en zei: Heer, uw pond heeft er vijf opgeleverd.
Ook tegen hem zei hij: En jij krijgt het bestuur over vijf steden.
Een ander kwam en zei: Heer, hier is uw pond.
Ik had het in een doek weggelegd.
Ik had het in een doek weggelegd.
Ik was bang voor u, want u bent een streng man.
U neemt weg wat u niet hebt neergelegd en u oogst wat u niet hebt gezaaid.
U neemt weg wat u niet hebt neergelegd en u oogst wat u niet hebt gezaaid.
Hij zei tegen hem: Met je eigen woorden veroordeel ik je, slechte knecht.
Je wist dat ik streng ben en wegneem wat ik niet neerlegde en oogst wat ik niet zaaide.
Je wist dat ik streng ben en wegneem wat ik niet neerlegde en oogst wat ik niet zaaide.
Waarom heb je mijn geld dan niet naar de bank gebracht?
Dan had ik het bij terugkomst met rente kunnen opvragen.
Dan had ik het bij terugkomst met rente kunnen opvragen.
Hij zei tegen de omstanders: Neem hem dat pond af en geef het aan de man met de tien ponden.
Zij zeiden tegen hem: Heer, hij heeft er al tien.
Ik zeg jullie: wie heeft, zal krijgen.
Maar wie niets heeft, raakt ook kwijt wat hij heeft.
Maar wie niets heeft, raakt ook kwijt wat hij heeft.
En breng die vijanden van mij hier, die mij niet als koning wilden.
Dood hen hier voor mijn ogen.
Dood hen hier voor mijn ogen.
De intocht in Jeruzalem
Na deze woorden trok Hij verder, voor hen uit, op weg naar Jeruzalem.
Toen Hij in de buurt van Bethfage en Bethanië kwam, bij de berg die Olijfberg heet, stuurde Hij twee leerlingen weg.
Hij zei: Ga naar het dorp hier tegenover.
Als jullie binnenkomen, vinden jullie een vastgebonden veulen waarop nog nooit iemand heeft gezeten.
Maak het los en breng het hier.
Als jullie binnenkomen, vinden jullie een vastgebonden veulen waarop nog nooit iemand heeft gezeten.
Maak het los en breng het hier.
Vraagt iemand waarom jullie het losmaken, zeg dan: De Heere heeft het nodig.
De twee gingen op weg en vonden alles zoals Hij het hun gezegd had.
Toen zij het veulen losmaakten, zeiden de eigenaars tegen hen: Waarom maken jullie dat veulen los?
Zij zeiden: De Heere heeft het nodig.
Zij brachten het bij Jezus.
Zij legden hun mantels op het veulen en zetten Jezus erop.
Zij legden hun mantels op het veulen en zetten Jezus erop.
Terwijl Hij verder reed, spreidden zij hun mantels op de weg uit.
Hij kwam bij de helling van de Olijfberg.
Daar begon de hele groep leerlingen blij en luid God te prijzen om alle wonderen die zij gezien hadden.
Daar begon de hele groep leerlingen blij en luid God te prijzen om alle wonderen die zij gezien hadden.
Zij zeiden: Gezegend is de Koning die komt in de naam van de Heere.
Vrede in de hemel en eer in de hoogste hemel.
Vrede in de hemel en eer in de hoogste hemel.
Enkele Farizeeën uit de menigte zeiden tegen Hem: Meester, spreek Uw leerlingen streng toe.
Hij antwoordde hun: Ik zeg jullie: als zij zwijgen, gaan de stenen roepen.
Jezus huilt om de stad en maakt de tempel leeg
Toen Hij dichterbij kwam en de stad zag, huilde Hij om haar.
Hij zei: Had jij op deze dag maar geweten wat vrede geeft.
Nu is het voor je ogen verborgen.
Nu is het voor je ogen verborgen.
Er komen dagen dat je vijanden een wal om je opwerpen.
Zij zullen je omsingelen en van alle kanten insluiten.
Zij zullen je omsingelen en van alle kanten insluiten.
Zij zullen jou en je kinderen tegen de grond werpen.
Zij zullen in jou geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods bezoek niet hebt herkend.
Zij zullen in jou geen steen op de andere laten, omdat je de tijd van Gods bezoek niet hebt herkend.
Hij ging de tempel binnen en begon de verkopers eruit te jagen.
Hij zei tegen hen: Er staat geschreven: Mijn huis is een huis van gebed.
Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.
Maar jullie hebben er een rovershol van gemaakt.
Elke dag gaf Hij onderwijs in de tempel.
De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk zochten een manier om Hem te doden.
De hogepriesters, de schriftgeleerden en de leiders van het volk zochten een manier om Hem te doden.
Maar zij vonden geen gelegenheid, want het hele volk hing aan Zijn lippen.