Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Leviticus 13
Voorschriften over melaatsheid
Eerste onderzoek van huidplekken
Verder sprak de HEERE tot Mozes en Aäron:
Wanneer iemand een zwelling, uitslag of witte vlek op zijn huid krijgt die op melaatsheid kan wijzen, moet hij naar een priester.
Dat kan Aäron zijn of een van zijn zonen.
Dat kan Aäron zijn of een van zijn zonen.
De priester bekijkt de aandoening op de huid.
Is het haar erop wit geworden en lijkt de plek dieper dan de huid, dan is het melaatsheid.
Na het onderzoek verklaart de priester de persoon onrein.
Is het haar erop wit geworden en lijkt de plek dieper dan de huid, dan is het melaatsheid.
Na het onderzoek verklaart de priester de persoon onrein.
Is de witte plek niet dieper dan de huid en is het haar niet wit geworden, dan zondert de priester de persoon zeven dagen af.
Op de zevende dag onderzoekt de priester hem.
Is de plek zichtbaar hetzelfde gebleven en niet over de huid verspreid, dan zondert hij hem nog zeven dagen af.
Is de plek zichtbaar hetzelfde gebleven en niet over de huid verspreid, dan zondert hij hem nog zeven dagen af.
Op de zevende dag onderzoekt de priester hem opnieuw.
Is de plek vervaagd en niet verspreid, dan verklaart hij hem rein.
Het was gewone uitslag.
De persoon wast zijn kleding en is dan rein.
Is de plek vervaagd en niet verspreid, dan verklaart hij hem rein.
Het was gewone uitslag.
De persoon wast zijn kleding en is dan rein.
De uitslag kan zich later toch over de huid uitbreiden, nadat de persoon zich voor zijn reiniging aan de priester heeft getoond.
Dan moet hij opnieuw naar de priester.
Dan moet hij opnieuw naar de priester.
Ziet de priester dat de uitslag zich heeft verspreid, dan verklaart hij de persoon onrein.
Het is melaatsheid.
Het is melaatsheid.
Chronische en uitgebreide melaatsheid
Wanneer iemand melaatsheid heeft, moet hij naar de priester worden gebracht.
De priester kan een witte zwelling zien waardoor het haar wit is geworden en waarin rauw, levend vlees zichtbaar is.
Dat is chronische melaatsheid in de huid.
De priester verklaart de persoon onrein.
Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is al onrein.
De priester verklaart de persoon onrein.
Hij hoeft hem niet af te zonderen, want hij is al onrein.
Soms breidt de melaatsheid zich over de hele huid uit.
Ze bedekt de persoon van hoofd tot voeten, overal waar de priester kan kijken.
Ze bedekt de persoon van hoofd tot voeten, overal waar de priester kan kijken.
Ziet de priester dat de melaatsheid het hele lichaam bedekt, dan verklaart hij de persoon rein.
Alles is wit geworden; daarom is hij rein.
Alles is wit geworden; daarom is hij rein.
Zodra er echter levend vlees zichtbaar wordt, is hij onrein.
Als de priester het levende vlees ziet, verklaart hij de persoon onrein.
Het levende vlees is onrein; het is melaatsheid.
Het levende vlees is onrein; het is melaatsheid.
Wordt het levende vlees weer wit, dan moet de persoon naar de priester gaan.
Ziet de priester dat de plek wit is geworden, dan verklaart hij de persoon rein.
Hij is rein.
Hij is rein.
Plekken na een zweer of brandwond
Iemand kan een zweer op de huid hebben gehad die inmiddels genezen is.
Ontstaat op de plaats van die zweer een witte zwelling of roodachtig witte vlek, dan moet de persoon die aan de priester laten zien.
Lijkt de plek dieper dan de huid en is het haar erop wit geworden, dan verklaart de priester de persoon onrein.
De melaatsheid is vanuit de zweer uitgebroken.
De melaatsheid is vanuit de zweer uitgebroken.
Ziet de priester geen wit haar en ligt de vervaagde plek niet dieper dan de huid, dan zondert hij de persoon zeven dagen af.
Breidt de plek zich daarna over de huid uit, dan verklaart de priester de persoon onrein.
Het is een melaatse aandoening.
Het is een melaatse aandoening.
Blijft de vlek op haar plaats en verspreidt zij zich niet, dan is het alleen het litteken van de zweer.
De priester verklaart de persoon rein.
De priester verklaart de persoon rein.
Iemand kan ook een brandwond op de huid hebben.
Op de wond kan een roodachtig witte of witte vlek ontstaan.
Op de wond kan een roodachtig witte of witte vlek ontstaan.
Is het haar op de vlek wit geworden en lijkt de plek dieper dan de huid, dan is vanuit de brandwond melaatsheid uitgebroken.
De priester verklaart de persoon onrein; het is melaatsheid.
De priester verklaart de persoon onrein; het is melaatsheid.
Ziet de priester geen wit haar en ligt de vervaagde plek niet dieper dan de huid, dan zondert hij de persoon zeven dagen af.
Op de zevende dag onderzoekt de priester hem.
Heeft de plek zich over de huid verspreid, dan verklaart hij de persoon onrein.
Het is melaatsheid.
Heeft de plek zich over de huid verspreid, dan verklaart hij de persoon onrein.
Het is melaatsheid.
Blijft de vervaagde vlek op haar plaats en verspreidt zij zich niet, dan is het een zwelling van de brandwond.
De priester verklaart de persoon rein, want het is het litteken van de brandwond.
De priester verklaart de persoon rein, want het is het litteken van de brandwond.
Aandoeningen op hoofd of baard
Een man of vrouw kan een aandoening op het hoofd of in de baard krijgen.
Lijkt de plek dieper dan de huid en groeit er dun, gelig haar op, dan verklaart de priester de persoon onrein.
Het is schurft: melaatsheid op het hoofd of in de baard.
Het is schurft: melaatsheid op het hoofd of in de baard.
Lijkt de schurft niet dieper dan de huid, maar groeit er geen zwart haar op, dan zondert de priester de persoon zeven dagen af.
Op de zevende dag onderzoekt de priester de plek.
Is de schurft niet verspreid, groeit er geen gelig haar en ligt de plek niet dieper dan de huid, dan geldt het volgende.
Is de schurft niet verspreid, groeit er geen gelig haar en ligt de plek niet dieper dan de huid, dan geldt het volgende.
De persoon laat zich scheren, maar niet op de schurftige plek.
Daarna zondert de priester hem opnieuw zeven dagen af.
Daarna zondert de priester hem opnieuw zeven dagen af.
Op de zevende dag onderzoekt de priester de schurft opnieuw.
Is die niet verspreid en niet dieper dan de huid, dan verklaart hij de persoon rein.
Die wast zijn kleding en is dan rein.
Is die niet verspreid en niet dieper dan de huid, dan verklaart hij de persoon rein.
Die wast zijn kleding en is dan rein.
Breidt de schurft zich na zijn reinverklaring toch over de huid uit,
dan onderzoekt de priester hem opnieuw.
Ziet hij dat de schurft zich heeft verspreid, dan hoeft hij niet naar gelig haar te zoeken.
De persoon is onrein.
Ziet hij dat de schurft zich heeft verspreid, dan hoeft hij niet naar gelig haar te zoeken.
De persoon is onrein.
Blijft de schurft zichtbaar hetzelfde en groeit er zwart haar op, dan is zij genezen.
De persoon is rein en de priester verklaart hem rein.
De persoon is rein en de priester verklaart hem rein.
Witte vlekken, kaalheid en afzondering
Een man of vrouw kan witte vlekken op de huid krijgen.
Ziet de priester doffe witte vlekken op de huid, dan is het slechts witte huiduitslag.
De persoon is rein.
De persoon is rein.
Als het hoofdhaar van een man uitvalt, is hij kaal.
Hij is rein.
Hij is rein.
Valt het haar aan de voorkant van zijn hoofd uit, dan is hij daar kaal.
Hij is rein.
Hij is rein.
Ontstaat op zijn kale kruin of voorhoofd een roodachtig witte plek, dan breekt daar melaatsheid uit.
Ziet de priester op de kale kruin of het voorhoofd een roodachtig witte zwelling die eruitziet als melaatsheid op de huid,
dan is de man melaats en onrein.
De priester moet hem beslist onrein verklaren; de aandoening zit op zijn hoofd.
De priester moet hem beslist onrein verklaren; de aandoening zit op zijn hoofd.
Iemand die melaats is verklaard, moet gescheurde kleding dragen en zijn hoofd onbedekt laten.
Hij moet zijn bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein!
Hij moet zijn bovenlip bedekken en roepen: Onrein, onrein!
Zolang hij de aandoening heeft, blijft hij onrein.
Hij moet alleen en buiten het kamp wonen.
Hij moet alleen en buiten het kamp wonen.
Melaatsheid in kleding en leer
Melaatsheid kan ook een wollen of linnen kledingstuk aantasten.
Dat geldt voor de schering of inslag van linnen of wol, en voor leer of elk leren voorwerp.
Is de aantasting op kleding, leer, schering, inslag of een leren voorwerp groenachtig of roodachtig, dan is het een melaatse aantasting.
Het voorwerp moet aan de priester worden getoond.
Het voorwerp moet aan de priester worden getoond.
De priester onderzoekt de aantasting en laat het aangetaste voorwerp zeven dagen apart houden.
Op de zevende dag onderzoekt hij de plek.
Heeft die zich verspreid over het kledingstuk, de schering, de inslag, het leer of het leren voorwerp, dan is het een agressieve melaatse aantasting.
Het voorwerp is onrein.
Heeft die zich verspreid over het kledingstuk, de schering, de inslag, het leer of het leren voorwerp, dan is het een agressieve melaatse aantasting.
Het voorwerp is onrein.
Hij moet het aangetaste kledingstuk, de wollen of linnen schering of inslag, of het leren voorwerp verbranden.
Het is een agressieve melaatse aantasting en moet worden verbrand.
Het is een agressieve melaatse aantasting en moet worden verbrand.
Ziet de priester dat de aantasting zich niet heeft verspreid over het kledingstuk, de schering, de inslag of het leren voorwerp,
dan laat hij het aangetaste voorwerp wassen en nog eens zeven dagen apart houden.
Na het wassen onderzoekt de priester de plek.
Ziet die er hetzelfde uit, dan is het voorwerp onrein, ook als de plek niet verspreid is.
Het moet worden verbrand, want de aantasting heeft de binnen- of buitenkant ingevreten.
Ziet die er hetzelfde uit, dan is het voorwerp onrein, ook als de plek niet verspreid is.
Het moet worden verbrand, want de aantasting heeft de binnen- of buitenkant ingevreten.
Is de plek na het wassen vervaagd, dan scheurt de priester het aangetaste deel uit het kledingstuk, het leer, de schering of de inslag.
Verschijnt de plek daarna opnieuw op het kledingstuk, de schering, de inslag of het leren voorwerp, dan breekt de melaatsheid weer uit.
Het aangetaste voorwerp moet worden verbrand.
Het aangetaste voorwerp moet worden verbrand.
Verdwijnt de plek na het wassen uit het kledingstuk, de schering, de inslag of het leren voorwerp, dan moet het nogmaals worden gewassen.
Daarna is het rein.
Daarna is het rein.
Dit is de wet over melaatse aantasting van wollen of linnen kleding, schering, inslag of leren voorwerpen.
Zo bepaalt men of iets rein of onrein is.
Zo bepaalt men of iets rein of onrein is.