Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Klaagliederen 4

Het goud is dof geworden

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Kinderen vragen om brood
Hoe is het goud dof geworden, het mooie goud veranderd!
De stenen van het heiligdom liggen verstrooid op elke straathoek.
De kostbare kinderen van Sion waren zoveel waard als fijn goud.
Hoe worden zij nu gerekend als aarden kruiken, werk van de handen van een pottenbakker!
Zelfs jakhalzen geven hun jongen de borst en zogen hen.
Maar de dochter van mijn volk is hard geworden, als struisvogels in de woestijn.
De tong van de zuigeling kleeft van dorst aan zijn gehemelte.
De kinderen vragen om brood, maar niemand geeft het hun.
Wie lekker aten, komen om op straat.
Wie in purper werden gedragen, liggen nu op de vuilnishoop.
De schuld van de dochter van mijn volk is groter dan de zonde van Sodom.
Die stad werd in een ogenblik omgekeerd, zonder dat er een hand naar haar werd uitgestoken.
Haar vorsten waren zuiverder dan sneeuw en witter dan melk.
Hun lichaam was roder dan koraal en hun gestalte was als saffier.
Maar nu is hun gezicht zwarter dan roet en men herkent hen niet op straat.
Hun huid kleeft aan hun botten; die is verdord als hout.
Wie door het zwaard vielen, hadden het beter dan wie door de honger stierven.
Die laatsten kwijnden weg als doorstoken mensen, omdat het land niets meer opbracht.
De handen van liefdevolle vrouwen hebben hun eigen kinderen gekookt.
Zij werden hun tot voedsel bij de ondergang van de dochter van mijn volk.
De HEERE heeft Zijn woede helemaal uitgestort.
Hij goot de gloed van Zijn toorn uit.
Hij stak in Sion een vuur aan dat haar fundamenten verteerde.
De schuld van profeten en priesters
De koningen van de aarde zouden het niet geloofd hebben, en de bewoners van de wereld ook niet.
Toch gingen vijand en tegenstander de poorten van Jeruzalem binnen.
Het kwam door de zonden van haar profeten en de misdaden van haar priesters.
Zij vergoten in haar midden het bloed van rechtvaardigen.
Zij zwierven als blinden door de straten, besmeurd met bloed.
Niemand kon nog hun kleren aanraken.
Men riep naar hen: opzij, een onreine!
Opzij, opzij, raak hem niet aan!
Zij vluchtten weg en zwierven rond.
Onder de volken zei men:
hier mogen zij niet langer wonen.
Het gezicht van de HEERE heeft hen verstrooid.
Hij kijkt niet meer naar hen om.
Men had geen eerbied voor de priesters en geen genade voor de oudsten.
Onze ogen werden moe van het uitkijken naar hulp die niet kwam.
Wij bleven uitkijken naar een volk dat ons niet kon redden.
Zij loerden op elke stap die wij zetten, zodat wij niet meer over onze pleinen konden lopen.
Ons einde kwam dichtbij; onze dagen waren vol.
Ja, ons einde was gekomen.
Onze achtervolgers waren sneller dan de arenden in de lucht.
Zij joegen ons op in de bergen en lagen ons op te wachten in de woestijn.
De adem van ons leven, de gezalfde van de HEERE, werd gevangen in hun kuilen.
Van hem zeiden wij: in zijn schaduw zullen wij leven tussen de volken.
Wees maar blij en juich, dochter van Edom, die in het land Uz woont.
Ook tot jou komt de beker.
Je zult dronken worden en je naaktheid tonen.
Je schuld is voorbij, dochter van Sion.
Hij zal je niet opnieuw wegvoeren.
Maar jouw schuld, dochter van Edom, zal Hij bezoeken.
Hij zal je zonden blootleggen.

Download hoofdstuk als tekstbestand