Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Apocriefe boeken

Judith 16

Het lied van Judith

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
De Heere verplettert de oorlogen
Judith begon dit danklied te zingen voor heel Israël, en heel het volk zong dit loflied haar na.
Judith zei: Begin de lof van mijn Heere met de tamboerijn.
Zing voor mijn Heere met cimbalen en dicht voor Hem kunstig een nieuwe psalm.
Verhef Hem en roep Zijn naam aan.

Want de Heere is een God die de oorlogen verplettert.
Want Hij heeft mij in Zijn kamp, midden onder het volk, gered uit de hand van wie mij achtervolgden.

Assyrië kwam uit de bergen van het noorden.
Hij kwam met vele duizenden van zijn macht; hun menigte stopte de beken en hun ruiterij bedekte de heuvels.
Hij zei dat hij mijn gebied zou verbranden, mijn jonge mannen met het zwaard zou ombrengen, mijn zuigelingen tegen de grond zou slaan, mijn kleine kinderen als buit zou geven en mijn meisjes zou wegroven.
De Heere, de Almachtige, heeft hen tot niets gemaakt, door de hand van een vrouw.
Want hun machtige man is niet gevallen door jonge mannen; de zonen van de Titanen hebben hem niet verslagen en de grote reuzen hebben hem niet aangegrepen.
Maar Judith, de dochter van Merari, heeft hem machteloos gemaakt door de schoonheid van haar gezicht.

Door de schoonheid van haar gezicht
Want zij trok haar weduwekleren uit, om wie in Israël benauwd waren weer op te richten.
Zij zalfde haar gezicht met geurige zalf, bond haar haar in een band en nam een linnen kleed om hem te misleiden.
Haar mooie sandalen namen zijn oog gevangen en haar schoonheid nam zijn ziel gevangen, en de sabel ging door zijn hals.
De Perzen beefden om haar durf en de Meden waren ontzet om haar dapperheid.
Toen juichten mijn nederigen en riepen mijn zwakken, en zij raakten in verwarring.
De mijnen verhieven hun stem en zij sloegen op de vlucht.

De zonen van jonge vrouwen hebben hen doorstoken en hen verwond als kinderen van overlopers.
Zij zijn omgekomen door het leger van de Heere, mijn God.

U bent groot en heerlijk
Ik zal voor mijn God een loflied zingen.
Heere, U bent groot en heerlijk, wonderlijk in kracht en onoverwinnelijk.
Laat heel Uw schepping U dienen, want U hebt gesproken en zij ontstonden.
U hebt Uw Geest gestuurd en Hij heeft ze gebouwd, en er is niemand die Uw stem zal weerstaan.

Want de bergen zullen met hun water uit hun fundamenten bewegen, en de rotsen zullen voor U smelten als was.
Maar U bent genadig voor wie ontzag voor U hebben.
Want elk welriekend offer is een kleinigheid voor U en al het vet van een brandoffer is het minste, maar wie ontzag heeft voor de Heere is altijd groot.

Wee de volken die tegen mijn volk opstaan.
De Heere, de Almachtige, zal Zich op hen wreken op de dag van het oordeel.

Hij zal vuur en wormen in hun vlees geven, en zij zullen van pijn huilen tot in eeuwigheid.
Hoe het met Judith afliep
Toen zij in Jeruzalem gekomen waren, aanbaden zij God.
Toen het volk gereinigd was, brachten zij hun brandoffers, hun vrijwillige offers en hun gaven.
Judith hing in de tempel al het vaatwerk van Holofernes op dat het volk haar gegeven had, en het gordijn dat zij uit zijn slaapkamer had meegenomen, gaf zij als heilige gave voor de Heere.
Het volk was drie maanden lang vrolijk in Jeruzalem, voor het heiligdom, en Judith bleef bij hen.
Na die dagen ging ieder terug naar zijn erfdeel, en Judith kwam terug in Betulia en bleef bij haar bezit.
Zij was in haar tijd zeer geëerd in heel het land.
Velen wilden met haar trouwen, maar geen man kwam bij haar, heel haar leven lang, vanaf de dag dat haar man Manasse gestorven was en bij zijn volk gevoegd werd.
Zij werd zeer geacht en zeer groot.
Zij werd oud in het huis van haar man, honderdvijf jaar.
Zij gaf haar dienstmeisje de vrijheid.
Zij stierf in Betulia, en zij begroeven haar in de grafspelonk van haar man Manasse, en het huis van Israël rouwde zeven dagen om haar.
Voordat zij stierf, verdeelde zij haar bezit onder alle naaste verwanten van haar man Manasse en onder de naaste verwanten van haar eigen familie.
En er was niemand meer die de Israëlieten nog angst aanjoeg, in de dagen van Judith en ook nog lange tijd nadat zij gestorven was.

Download hoofdstuk als tekstbestand