Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jesaja 37

Hizkia bidt

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 7 minuten
Hizkia stuurt naar Jesaja
Toen koning Hizkia dit hoorde, scheurde hij zijn kleren, trok een rouwkleed aan en ging naar het huis van de HEERE.
Daarna stuurde hij een gezantschap in rouwkleren naar de profeet Jesaja, de zoon van Amoz.
Het waren Eljakim, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en de oudste priesters.
Zij zeiden tegen hem: Dit zegt Hizkia: vandaag is een dag van nood, straf en schande.
De kinderen liggen klaar om geboren te worden, maar er is geen kracht om te baren.

Misschien hoort de HEERE, uw God, de woorden van Rabsake.
Zijn heer, de koning van Assyrië, stuurde hem om de levende God te honen.
Misschien straft de HEERE, uw God, hem om die woorden.
Bid daarom voor de rest die nog over is.

De knechten van koning Hizkia kwamen bij Jesaja.
Jesaja zei tegen hen: Zeg tegen jullie heer: dit zegt de HEERE.
Wees niet bang voor de woorden waarmee de dienaren van de koning van Assyrië mij gelasterd hebben.

Kijk, ik geef hem een geest, zodat hij een bericht hoort en naar zijn eigen land terugkeert.
Daar zal ik hem door het zwaard laten vallen.

Rabsake keerde terug en vond de koning van Assyrië strijdend tegen Libna.
Hij had namelijk gehoord dat de koning uit Lachis vertrokken was.
Toen hoorde hij over Tirhaka, de koning van Cusch: Hij is opgetrokken om tegen u te strijden.
Toen hij dat hoorde, stuurde hij opnieuw boden naar Hizkia.
Zij moesten dit tegen Hizkia, de koning van Juda, zeggen: Laat je God, op wie je vertrouwt, je niet bedriegen.
Hij zegt dat Jeruzalem niet aan de koning van Assyrië gegeven wordt.

Je hebt gehoord wat de koningen van Assyrië met alle landen gedaan hebben: zij hebben ze vernietigd.
Zou jij dan gered worden?

Hebben de goden van de volken hen gered die mijn vaders verwoest hebben, Gozan, Haran, Rezef en de mensen van Eden in Telassar?
Waar is de koning van Hamath, de koning van Arpad en de koning van Sefarvaim, van Hena en Ivva?
Het gebed van Hizkia
Hizkia nam de brieven uit de hand van de boden en las ze.
Toen ging hij naar het huis van de HEERE en spreidde ze uit voor het aangezicht van de HEERE.
Hizkia bad tot de HEERE.
Hij zei: HEERE van de legermachten, God van Israël, die tussen de cherubs troont!
U alleen bent de God van alle koninkrijken op aarde.
U hebt de hemel en de aarde gemaakt.

HEERE, neig Uw oor en luister.
HEERE, open Uw ogen en kijk.
Hoor alle woorden van Sanherib, die gestuurd heeft om de levende God te honen.

Het is waar, HEERE: de koningen van Assyrië hebben alle landen en hun gebieden verwoest.
Zij hebben hun goden in het vuur geworpen.
Dat waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen.
Daarom konden zij ze vernietigen.

Nu dan, HEERE, onze God, red ons uit zijn hand.
Dan zullen alle koninkrijken op aarde weten dat U alleen de HEERE bent.

Het antwoord van de HEERE
Toen stuurde Jesaja, de zoon van Amoz, een boodschap naar Hizkia: Dit zegt de HEERE, de God van Israël.
Ik heb gehoord wat je tot mij gebeden hebt over Sanherib, de koning van Assyrië.

Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft: de maagd, de dochter van Sion, veracht je en bespot je.
De dochter van Jeruzalem schudt haar hoofd achter je.

Wie heb je gehoond en gelasterd?
Tegen wie heb je je stem verheven en je ogen omhooggeslagen?
Tegen de Heilige van Israël!

Door je knechten heb je de HEERE gehoond.
Je zei: met mijn vele wagens beklom ik de hoogte van de bergen, de flanken van de Libanon.
Ik hak zijn hoge ceders om en zijn beste cipressen.
Ik kom tot zijn verste top, in zijn dichte woud.

Ik groef putten en dronk water.
Met mijn voetzolen droogde ik alle rivieren van Egypte op.

Heb je niet gehoord dat ik dit lang geleden gedaan heb en al in oude dagen gevormd?
Nu heb ik het laten komen, zodat jij versterkte steden tot puinhopen kon maken.

Daarom stonden hun inwoners machteloos, verslagen en beschaamd.
Zij waren als gras op het veld, als jong groen, als gras op de daken dat verdort voordat het opschiet.

Maar ik ken je zitten en je opstaan, je uitgaan en je binnenkomen, en je woede tegen mij.
Je bent woedend op mij en je overmoed kwam mij ter ore.
Daarom leg ik mijn haak in je neus en mijn bit in je lippen.
Ik laat je terugkeren langs de weg waarlangs je gekomen bent.

Dit zal voor jou het teken zijn: dit jaar eet men wat vanzelf opkomt, en het tweede jaar wat daaruit weer opschiet.
Maar zaai in het derde jaar, oogst, plant wijngaarden en eet hun vruchten.

Wat van het huis van Juda ontkomen is en overblijft, zal weer wortelschieten naar beneden en vrucht dragen naar boven.
Want uit Jeruzalem komt een rest en van de berg Sion wie ontkomen zijn.
De ijver van de HEERE van de legermachten zal dit doen.

Daarom zegt de HEERE over de koning van Assyrië: hij zal deze stad niet binnenkomen en er geen pijl inschieten.
Hij zal er niet met een schild voor komen en geen wal tegen opwerpen.

Langs de weg waarlangs hij gekomen is, zal hij terugkeren.
Deze stad komt hij niet binnen, zegt de HEERE.

Want ik zal deze stad beschermen en redden, om mijzelf en om David, mijn knecht.
Toen ging de engel van de HEERE uit en sloeg in het kamp van Assyrië honderdvijfentachtigduizend man.
Toen men vroeg in de morgen opstond, lagen daar allemaal lijken.
Sanherib, de koning van Assyrië, brak op, keerde terug en bleef in Ninevé.
Terwijl hij zich boog in het huis van Nisroch, zijn god, versloegen zijn zonen Adramelech en Sarezer hem met het zwaard.
Zij ontkwamen naar het land Ararat, en zijn zoon Esar-Haddon werd koning in zijn plaats.

Download hoofdstuk als tekstbestand