Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jesaja 36
Rabsake bij de muur
Op wie vertrouw je?
In het veertiende jaar van koning Hizkia trok Sanherib, de koning van Assyrië, op tegen alle versterkte steden van Juda en nam ze in.
De koning van Assyrië stuurde Rabsake met een groot leger van Lachis naar Jeruzalem, naar koning Hizkia.
Hij ging staan bij de waterloop van de bovenste vijver, aan de weg van het bleekveld.
Hij ging staan bij de waterloop van de bovenste vijver, aan de weg van het bleekveld.
Toen kwamen drie mannen naar hem toe.
Het waren Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en Joah, de kanselier.
Het waren Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en Joah, de kanselier.
Rabsake zei tegen hen: Zeg tegen Hizkia: dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië.
Waar haal je dat vertrouwen vandaan?
Waar haal je dat vertrouwen vandaan?
Je zegt dat je plan en macht hebt voor de oorlog, maar dat zijn loze woorden.
Op wie vertrouw je nu, dat je tegen mij in opstand komt?
Op wie vertrouw je nu, dat je tegen mij in opstand komt?
Kijk, je vertrouwt op Egypte, die geknakte rietstok.
Wie daarop leunt, krijgt hem in zijn hand en wordt doorboord.
Zo is Farao, de koning van Egypte, voor iedereen die op hem vertrouwt.
Wie daarop leunt, krijgt hem in zijn hand en wordt doorboord.
Zo is Farao, de koning van Egypte, voor iedereen die op hem vertrouwt.
Misschien zeg je tegen mij: wij vertrouwen op de HEERE, onze God.
Maar is dat niet degene wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggenomen?
Hij zei tegen Juda en Jeruzalem dat zij alleen voor dit altaar mochten buigen.
Maar is dat niet degene wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggenomen?
Hij zei tegen Juda en Jeruzalem dat zij alleen voor dit altaar mochten buigen.
Sluit dan een weddenschap met mijn heer, de koning van Assyrië.
Ik geef je tweeduizend paarden als jij er ruiters voor kunt vinden.
Ik geef je tweeduizend paarden als jij er ruiters voor kunt vinden.
Hoe zou je dan één bevelhebber kunnen afslaan, zelfs de geringste knecht van mijn heer?
Maar je vertrouwt op Egypte, op wagens en ruiters.
Maar je vertrouwt op Egypte, op wagens en ruiters.
Bovendien ben ik niet zonder de HEERE tegen dit land opgetrokken om het te verwoesten.
De HEERE zei tegen mij: trek op tegen dat land en verwoest het.
De HEERE zei tegen mij: trek op tegen dat land en verwoest het.
Spreek toch Aramees
Toen zeiden Eljakim, Sebna en Joah tegen Rabsake: Spreek toch Aramees tegen uw knechten, want wij verstaan dat.
Spreek niet in het Judees, terwijl het volk op de muur meeluistert.
Spreek niet in het Judees, terwijl het volk op de muur meeluistert.
Maar Rabsake zei: Heeft mijn heer mij alleen naar jouw heer en naar jou gestuurd om deze woorden te zeggen?
Hij stuurde mij juist naar de mannen op de muur, die met jullie hun eigen vuil zullen eten en hun eigen water drinken.
Hij stuurde mij juist naar de mannen op de muur, die met jullie hun eigen vuil zullen eten en hun eigen water drinken.
Toen ging Rabsake staan en riep met luide stem in het Judees: Hoor de woorden van de grote koning, de koning van Assyrië!
Dit zegt de koning: laat Hizkia jullie niet bedriegen, want hij kan jullie niet redden.
Laat Hizkia jullie niet op de HEERE laten vertrouwen.
Hij zegt dat de HEERE jullie zeker zal redden en dat deze stad niet aan de koning van Assyrië wordt gegeven.
Hij zegt dat de HEERE jullie zeker zal redden en dat deze stad niet aan de koning van Assyrië wordt gegeven.
Luister niet naar Hizkia.
Want dit zegt de koning van Assyrië: sluit vrede met mij en kom naar buiten.
Dan eet ieder van zijn eigen wijnstok en zijn eigen vijgenboom, en drinkt ieder water uit zijn eigen put.
Want dit zegt de koning van Assyrië: sluit vrede met mij en kom naar buiten.
Dan eet ieder van zijn eigen wijnstok en zijn eigen vijgenboom, en drinkt ieder water uit zijn eigen put.
Dat duurt tot ik kom en jullie meeneem naar een land als het jullie land, een land van koren en most, van brood en wijngaarden.
Laat Hizkia jullie niet misleiden door te zeggen dat de HEERE jullie zal redden.
Heeft een god van de volken zijn land ooit gered uit de hand van de koning van Assyrië?
Heeft een god van de volken zijn land ooit gered uit de hand van de koning van Assyrië?
Waar zijn de goden van Hamath en Arpad?
Waar zijn de goden van Sefarvaim?
Hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
Waar zijn de goden van Sefarvaim?
Hebben zij Samaria uit mijn hand gered?
Wie van alle goden van deze landen heeft zijn land uit mijn hand gered?
Zou de HEERE dan Jeruzalem uit mijn hand redden?
Zou de HEERE dan Jeruzalem uit mijn hand redden?
Maar zij zwegen en antwoordden hem geen woord, want de koning had bevolen hem niet te antwoorden.
Toen kwamen drie mannen met gescheurde kleren bij Hizkia.
Het waren Eljakim, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en Joah, de kanselier.
Zij vertelden hem de woorden van Rabsake.
Het waren Eljakim, het hoofd van het paleis, Sebna, de schrijver, en Joah, de kanselier.
Zij vertelden hem de woorden van Rabsake.