Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 43

Naar Egypte, tegen het woord in

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
Jij spreekt leugens
Jeremia was klaar met het spreken van alle woorden van de HEERE, hun God, tot het hele volk.
De HEERE, hun God, had hem met al die woorden naar hen toe gestuurd.
Toen zeiden Azarja, de zoon van Hosaja, en Johanan, de zoon van Kareah, en alle overmoedige mannen tegen Jeremia: Jij spreekt leugens.
De HEERE, onze God, heeft je niet gestuurd om te zeggen dat wij niet naar Egypte mogen gaan om daar te wonen.

Maar Baruch, de zoon van Nerija, hitst je tegen ons op.
Hij wil ons overleveren aan de Chaldeeën, zodat zij ons doden of naar Babel wegvoeren.

Zo luisterden Johanan, de zoon van Kareah, de legeraanvoerders en heel het volk niet naar de stem van de HEERE.
Zij bleven niet in het land van Juda.
Johanan, de zoon van Kareah, en alle legeraanvoerders namen de hele rest van Juda mee.
Dat waren de mensen die uit alle volken waarheen zij verdreven waren, teruggekeerd waren om in het land van Juda te wonen.
Zij namen de mannen, de vrouwen, de kinderen en de dochters van de koning mee.
Ook namen zij iedereen mee die Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, bij Gedalja had gelaten.
Ook de profeet Jeremia en Baruch, de zoon van Nerija, gingen mee.
Zij trokken naar Egypte, want zij luisterden niet naar de stem van de HEERE.
En zij kwamen in Tachpanhes.
De stenen in Tachpanhes
Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia in Tachpanhes.
Neem grote stenen in je hand en verberg ze in de klei van het plaveisel bij de ingang van het paleis van Farao in Tachpanhes.
Doe dat voor de ogen van de mannen van Juda.

Zeg tegen hen: dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël.
Kijk, ik laat Nebukadrezar halen, de koning van Babel, mijn knecht.
Ik zal zijn troon boven op deze stenen zetten die ik verborgen heb, en hij zal zijn prachtige tent erover spannen.

Hij zal komen en Egypte slaan.
Wie bestemd is voor de dood, gaat naar de dood; wie voor de gevangenschap, naar de gevangenschap; wie voor het zwaard, naar het zwaard.

Ik zal een vuur aansteken in de tempels van de goden van Egypte.
Hij zal ze verbranden en de beelden wegvoeren.
Hij zal Egypte om zich heen slaan zoals een herder zijn kleed omslaat, en hij zal daar ongehinderd wegtrekken.

Hij zal de gedenkstenen van Beth-Semes in Egypte stukslaan en de tempels van de goden van Egypte met vuur verbranden.

Download hoofdstuk als tekstbestand