Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 39

De val van Jeruzalem

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 3 minuten
De stad wordt ingenomen
In het negende jaar van Zedekia, de koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar naar Jeruzalem.
Hij was de koning van Babel en had heel zijn leger bij zich.
Zij belegerden de stad.
In het elfde jaar van Zedekia, in de vierde maand, op de negende dag van de maand, werd er een bres in de stad geslagen.
Alle vorsten van de koning van Babel trokken binnen en namen plaats in de middelste poort.
Het waren Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, Nergal-Sarezer de opperbevelhebber, en de overige vorsten van de koning van Babel.
Toen Zedekia, de koning van Juda, en alle soldaten hen zagen, vluchtten zij.
Zij gingen s nachts de stad uit door de tuin van de koning, door de poort tussen de twee muren, en trokken de vlakte in.
Maar het leger van de Chaldeeën achtervolgde hen.
Zij haalden Zedekia in op de vlakte van Jericho en grepen hem.
Zij brachten hem naar Nebukadrezar, de koning van Babel, in Ribla in het land Hamath.
Daar sprak die het vonnis over hem uit.
De koning van Babel doodde de zonen van Zedekia in Ribla voor zijn ogen.
Ook doodde de koning van Babel alle edelen van Juda.
Hij maakte Zedekia blind en bond hem met twee bronzen ketenen om hem naar Babel te brengen.
De Chaldeeën verbrandden het huis van de koning en de huizen van het volk met vuur.
Zij braken de muren van Jeruzalem af.
De rest van het volk dat in de stad was overgebleven, en de overlopers die naar hem waren gegaan, voerde Nebuzaradan weg naar Babel.
Hij was de bevelhebber van de lijfwacht.
Maar van de armen die niets hadden, liet Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, enkelen achter in het land van Juda.
Hij gaf hun die dag wijngaarden en akkers.
Jeremia en Ebed-Melech
Over Jeremia had Nebukadrezar, de koning van Babel, bevel gegeven aan Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht.
Hij zei: Neem hem mee en zorg goed voor hem.
Doe hem geen kwaad, maar doe met hem zoals hij je zegt.

Zo stuurden Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, en Nebuschazban en Nergal-Sarezer en alle bevelhebbers van de koning van Babel een bericht.
Zij lieten Jeremia uit de wachtplaats halen en gaven hem over aan Gedalja, de zoon van Ahikam, de zoon van Safan.
Die moest hem naar huis brengen.
Zo bleef hij te midden van het volk.
Het woord van de HEERE was tot Jeremia gekomen toen hij nog opgesloten zat in de wachtplaats.
Ga en zeg tegen Ebed-Melech, de Ethiopiër: dit zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël.
Kijk, ik breng mijn woorden over deze stad, ten kwade en niet ten goede.
Op die dag zul jij het zien gebeuren.

Maar jou zal ik op die dag redden, zegt de HEERE.
Je zult niet overgegeven worden aan de mannen voor wie je bang bent.

Want ik zal je zeker bevrijden.
Je zult niet door het zwaard vallen, maar je leven als buit behouden, omdat je op mij vertrouwd hebt, zegt de HEERE.

Download hoofdstuk als tekstbestand