Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 38

Jeremia in de put

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
In de modder van de put
Jeremia sprak woorden tot heel het volk.
Sefatja de zoon van Matthan, Gedalja de zoon van Pashur, Juchal de zoon van Selemja en Pashur de zoon van Malchia hoorden ze.
Hij zei: Dit zegt de HEERE.
Wie in deze stad blijft, zal sterven door zwaard, honger of pest.
Maar wie naar de Chaldeeën uitgaat, zal leven en zijn leven als buit behouden.

Dit zegt de HEERE.
Deze stad wordt zeker in de hand van het leger van de koning van Babel gegeven, en dat zal haar innemen.

Toen zeiden de vorsten tegen de koning: Laat deze man toch gedood worden.
Hij maakt de handen slap van de soldaten die in deze stad over zijn en van heel het volk.
Deze man zoekt geen vrede voor dit volk, maar onheil.

Koning Zedekia zei: Kijk, hij is in jullie hand, want de koning kan niets tegen jullie beginnen.
Toen namen zij Jeremia en gooiden hem in de put van Malchia, de zoon van de koning, die in de wachtplaats lag.
Zij lieten Jeremia met touwen zakken.
In de put was geen water, maar modder, en Jeremia zonk weg in de modder.
Ebed-Melech, de Ethiopiër, een van de hovelingen in het huis van de koning, hoorde dat zij Jeremia in de put gedaan hadden.
De koning zat op dat moment in de Benjaminpoort.
Ebed-Melech ging uit het huis van de koning naar buiten en sprak tot de koning.
Mijn heer de koning, deze mannen hebben verkeerd gehandeld met de profeet Jeremia.
Zij hebben hem in de put gegooid.
Daar zal hij van honger sterven, want er is geen brood meer in de stad.

Toen gaf de koning de Ethiopiër Ebed-Melech bevel: Neem dertig mannen met je mee.
Haal de profeet Jeremia uit de put voordat hij sterft.

Ebed-Melech nam de mannen mee en ging in het huis van de koning naar de ruimte onder de schatkamer.
Daar haalde hij oude versleten lappen en hij liet die met touwen naar Jeremia in de put zakken.
Ebed-Melech, de Ethiopiër, zei tegen Jeremia: Leg deze oude versleten lappen onder je oksels, onder de touwen.
En Jeremia deed dat.
Zij trokken Jeremia aan de touwen omhoog en haalden hem uit de put.
En Jeremia bleef in de wachtplaats.
Het geheime gesprek met Zedekia
Toen liet koning Zedekia de profeet Jeremia bij zich halen, bij de derde ingang van het huis van de HEERE.
De koning zei tegen Jeremia: Ik vraag je iets; verberg niets voor mij.
Jeremia zei tegen Zedekia: Als ik het u vertel, zult u mij dan niet zeker doden?
En als ik u raad geef, zult u toch niet naar mij luisteren.

Toen zwoer koning Zedekia in het geheim tegen Jeremia: Zo waar de HEERE leeft, die ons dit leven gegeven heeft.
Ik zal je niet doden en niet overgeven aan de mannen die je leven zoeken.

Toen zei Jeremia tegen Zedekia: Dit zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël.
Als u vrijwillig naar de vorsten van de koning van Babel uitgaat, zult u in leven blijven.
Dan wordt deze stad niet met vuur verbrand en blijven u en uw huis leven.

Maar als u niet naar de vorsten van de koning van Babel uitgaat, wordt deze stad in de hand van de Chaldeeën gegeven.
Zij zullen haar met vuur verbranden, en u zult niet aan hun hand ontkomen.

Koning Zedekia zei tegen Jeremia: Ik ben bang voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen.
Misschien geven zij mij aan hen over en drijven zij de spot met mij.

Jeremia zei: Zij zullen u niet overgeven.
Luister toch naar de stem van de HEERE, zoals ik tot u spreek.
Dan zal het u goed gaan en zult u in leven blijven.

Maar als u weigert uit te gaan, dan is dit het woord dat de HEERE mij heeft laten zien.
Kijk, alle vrouwen die in het huis van de koning van Juda zijn overgebleven, worden naar de vorsten van de koning van Babel gebracht.
Zij zullen zeggen: uw vertrouwde vrienden hebben u opgehitst en u de baas gekregen.
Uw voeten zijn in de modder gezakt en zij zijn weggelopen.

Al uw vrouwen en al uw zonen zullen naar de Chaldeeën gebracht worden.
Ook u zult niet aan hun hand ontkomen, maar door de hand van de koning van Babel gegrepen worden.
En deze stad zal met vuur verbrand worden.

Toen zei Zedekia tegen Jeremia: Laat niemand van deze woorden weten, dan zul je niet sterven.
Misschien horen de vorsten dat ik met je gesproken heb.
Dan komen zij naar je toe en zeggen: vertel ons wat je tegen de koning gezegd hebt.
Verberg niets voor ons, dan doden wij je niet.
En wat heeft de koning tegen jou gezegd?

Zeg dan tegen hen: ik smeekte de koning om mij niet terug te laten brengen naar het huis van Jonathan, om daar te sterven.
Toen alle vorsten bij Jeremia kwamen en hem ondervroegen, vertelde hij hun precies wat de koning bevolen had.
Zij lieten hem met rust, want het gesprek was niet gehoord.
Jeremia bleef in de wachtplaats tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen.
Hij was er nog toen Jeruzalem was ingenomen.

Download hoofdstuk als tekstbestand