Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Jeremia 34
Het verbroken verbond over de slaven
De boodschap aan Zedekia
Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam.
Nebukadnezar, de koning van Babel, streed toen met heel zijn leger tegen Jeruzalem en al haar steden.
Alle koninkrijken onder zijn heerschappij en alle volken streden mee.
Nebukadnezar, de koning van Babel, streed toen met heel zijn leger tegen Jeruzalem en al haar steden.
Alle koninkrijken onder zijn heerschappij en alle volken streden mee.
Dit zegt de HEERE, de God van Israël: Ga en spreek tot Zedekia, de koning van Juda.
Zeg tegen hem: dit zegt de HEERE.
Kijk, ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.
Zeg tegen hem: dit zegt de HEERE.
Kijk, ik geef deze stad in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.
Jij zult niet aan zijn hand ontkomen, maar je wordt zeker gegrepen en aan hem overgegeven.
Je ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien en hij zal van mond tot mond met je spreken.
Je zult in Babel komen.
Je ogen zullen de ogen van de koning van Babel zien en hij zal van mond tot mond met je spreken.
Je zult in Babel komen.
Maar hoor het woord van de HEERE, Zedekia, koning van Juda.
Dit zegt de HEERE over jou: je zult niet door het zwaard sterven.
Dit zegt de HEERE over jou: je zult niet door het zwaard sterven.
Je zult in vrede sterven.
Zoals men rouwvuren ontstak voor je vaderen, de vroegere koningen, zo zal men ook voor jou branden.
Men zal om je klagen: ach, heer!
Want ik heb het woord gesproken, zegt de HEERE.
Zoals men rouwvuren ontstak voor je vaderen, de vroegere koningen, zo zal men ook voor jou branden.
Men zal om je klagen: ach, heer!
Want ik heb het woord gesproken, zegt de HEERE.
De profeet Jeremia sprak al deze woorden tot Zedekia, de koning van Juda, in Jeruzalem.
Het leger van de koning van Babel streed toen tegen Jeruzalem en tegen de overgebleven steden van Juda, tegen Lachis en tegen Azeka.
Dat waren de laatste versterkte steden van Juda.
Dat waren de laatste versterkte steden van Juda.
Vrijheid die werd teruggenomen
Het woord dat van de HEERE tot Jeremia kwam.
Koning Zedekia had toen een verbond gesloten met heel het volk in Jeruzalem om vrijheid uit te roepen.
Koning Zedekia had toen een verbond gesloten met heel het volk in Jeruzalem om vrijheid uit te roepen.
Ieder moest zijn slaaf en zijn slavin laten gaan, als die een Hebreeuwse man of vrouw was.
Niemand mocht nog een Judeeër als slaaf houden.
Niemand mocht nog een Judeeër als slaaf houden.
Alle vorsten en heel het volk die het verbond gesloten hadden, luisterden.
Ieder liet zijn slaaf en zijn slavin vrij en hield hen niet langer in dienst.
Ieder liet zijn slaaf en zijn slavin vrij en hield hen niet langer in dienst.
Maar daarna kwamen zij erop terug.
Zij haalden de slaven en slavinnen terug die zij hadden vrijgelaten en dwongen hen weer tot slavernij.
Zij haalden de slaven en slavinnen terug die zij hadden vrijgelaten en dwongen hen weer tot slavernij.
Daarom kwam het woord van de HEERE tot Jeremia.
Dit zegt de HEERE, de God van Israël: Ik heb een verbond gesloten met jullie vaderen toen ik hen uit Egypte leidde, uit het slavenhuis.
Ik zei:
Ik zei:
na zeven jaar moet ieder zijn Hebreeuwse verwant laten gaan die zich aan hem verkocht heeft en hem zes jaar gediend heeft.
Je moet hem vrijlaten.
Maar jullie vaderen luisterden niet naar mij en neigden hun oor niet.
Je moet hem vrijlaten.
Maar jullie vaderen luisterden niet naar mij en neigden hun oor niet.
Vandaag waren jullie teruggekeerd en deden jullie wat recht is in mijn ogen.
Jullie riepen vrijheid uit voor elkaar en sloten een verbond voor mijn aangezicht, in het huis dat mijn naam draagt.
Jullie riepen vrijheid uit voor elkaar en sloten een verbond voor mijn aangezicht, in het huis dat mijn naam draagt.
Maar jullie zijn weer omgekeerd en hebben mijn naam ontwijd.
Ieder haalde zijn slaaf en slavin terug die hij naar eigen wens had vrijgelaten.
Jullie dwongen hen opnieuw tot slavernij.
Ieder haalde zijn slaaf en slavin terug die hij naar eigen wens had vrijgelaten.
Jullie dwongen hen opnieuw tot slavernij.
Daarom zegt de HEERE: jullie hebben niet naar mij geluisterd om vrijheid uit te roepen voor elkaar.
Kijk, dan roep ik vrijheid over jullie uit, zegt de HEERE: vrijheid voor zwaard, pest en honger.
Ik maak jullie tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde.
Kijk, dan roep ik vrijheid over jullie uit, zegt de HEERE: vrijheid voor zwaard, pest en honger.
Ik maak jullie tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde.
Ik zal de mannen overgeven die mijn verbond overtreden hebben.
Zij hielden de woorden van het verbond niet dat zij voor mijn aangezicht sloten.
Zij hakten daarbij een kalf in tweeën en gingen tussen de stukken door.
Zij hielden de woorden van het verbond niet dat zij voor mijn aangezicht sloten.
Zij hakten daarbij een kalf in tweeën en gingen tussen de stukken door.
Dat zijn de vorsten van Juda en van Jeruzalem, de hovelingen en de priesters.
Ook heel het volk van het land ging tussen de stukken van het kalf door.
Ook heel het volk van het land ging tussen de stukken van het kalf door.
Ja, ik geef hen in de hand van hun vijanden en van wie hun leven zoeken.
Hun lijken zullen voedsel zijn voor de vogels van de hemel en de dieren van het land.
Hun lijken zullen voedsel zijn voor de vogels van de hemel en de dieren van het land.
Ook Zedekia, de koning van Juda, en zijn vorsten geef ik in de hand van hun vijanden en van wie hun leven zoeken.
Ik geef hen in de hand van het leger van de koning van Babel, dat nu bij jullie is weggetrokken.
Ik geef hen in de hand van het leger van de koning van Babel, dat nu bij jullie is weggetrokken.
Kijk, ik geef bevel, zegt de HEERE, en ik breng hen terug naar deze stad.
Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en met vuur verbranden.
Ik maak de steden van Juda tot een woestenij, zonder bewoners.
Zij zullen tegen haar strijden, haar innemen en met vuur verbranden.
Ik maak de steden van Juda tot een woestenij, zonder bewoners.