Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Jeremia 14

De grote droogte

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 4 minuten
Geen water in de putten
Het woord van de HEERE dat tot Jeremia kwam over de grote droogte.
Juda treurt en haar poorten zijn verzwakt.
Zij zitten in het zwart op de grond, en het geschreeuw van Jeruzalem stijgt op.
De aanzienlijken sturen hun knechten om water.
Zij komen bij de putten, maar vinden geen water.
Zij komen terug met lege kruiken, beschaamd en rood van schaamte, en bedekken hun hoofd.
De grond is gebarsten, omdat er geen regen op het land valt.
De boeren staan beschaamd en bedekken hun hoofd.
Zelfs de hinde in het veld laat haar jong achter, omdat er geen jong gras is.
De wilde ezels staan op de kale hoogten en snuiven de wind op als jakhalzen.
Hun ogen bezwijken, omdat er geen groen is.
Al getuigen onze zonden tegen ons, HEERE, doe het toch om Uw naam.
Want onze afkeer is groot; wij hebben tegen U gezondigd.

Hoop van Israël, zijn Redder in tijd van nood, waarom bent U als een vreemdeling in het land?
Waarom als een reiziger die alleen blijft overnachten?

Waarom bent U als een verbijsterd man, als een held die niet kan redden?
Toch bent U in ons midden, HEERE, en wij dragen Uw naam.
Verlaat ons niet.

Valse profeten
Dit zegt de HEERE over dit volk: zij houden ervan om te zwerven en sparen hun voeten niet.
Daarom heeft de HEERE geen behagen in hen.
Nu denkt Hij aan hun schuld en bezoekt Hij hun zonden.

Verder zei de HEERE tegen mij: Bid niet voor het geluk van dit volk.
Al vasten zij, ik zal niet naar hun geschreeuw luisteren.
Al brengen zij brandoffers en graanoffers, ik zal geen behagen in hen hebben.
Ik zal hen vernietigen door zwaard, honger en pest.

Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, de profeten zeggen tegen hen dat zij geen zwaard zullen zien en geen honger zullen hebben.
Zij beloven blijvende vrede op deze plaats.

De HEERE zei tegen mij: De profeten profeteren leugens in mijn naam.
Ik heb hen niet gestuurd, hun niets opgedragen en niet tot hen gesproken.
Zij profeteren jullie een vals visioen, waarzeggerij, leegte en bedrog uit hun eigen hart.

Daarom zegt de HEERE over de profeten die in mijn naam profeteren zonder dat ik hen gestuurd heb.
Zij zeggen dat er geen zwaard en geen honger in dit land zal komen.
Juist die profeten zullen door zwaard en honger omkomen.

Het volk tot wie zij profeteren, zal op de straten van Jeruzalem liggen door honger en zwaard.
Niemand zal hen begraven, hen, hun vrouwen, hun zonen en dochters.
Zo stort ik hun eigen boosheid over hen uit.

Zeg dit woord tegen hen: mijn ogen zullen dag en nacht tranen en niet ophouden.
Want de jonge dochter van mijn volk is zwaar gebroken, met een heel pijnlijke slag.

Ga ik het veld in, dan zie ik wie door het zwaard gevallen zijn.
Kom ik in de stad, dan zie ik wie ziek zijn van honger.
Zelfs profeet en priester zwerven door het land zonder te weten.

Hebt U Juda dan helemaal verworpen?
Walgt Uw ziel van Sion?
Waarom hebt U ons geslagen zonder genezing?
Wij wachtten op vrede, maar er kwam niets goeds; op genezing, maar kijk, er is schrik.

HEERE, wij kennen onze goddeloosheid en de schuld van onze vaderen, want wij hebben tegen U gezondigd.
Versmaad ons niet, om Uw naam.
Werp de troon van Uw heerlijkheid niet neer.
Denk aan Uw verbond met ons en verbreek het niet.

Kunnen de nietige goden van de volken regen geven?
Kan de hemel vanzelf buien geven?
Bent U het niet, HEERE, onze God?
Daarom wachten wij op U, want U doet dit alles.

Download hoofdstuk als tekstbestand