Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Ethiopische boeken
Henoch 14
Het huis van kristal en van vuur
Jullie verzoek wordt niet ingewilligd
Dit is het boek van de woorden van de gerechtigheid en van de terechtwijzing van de eeuwige wachters, naar het gebod van de Heilige en Grote, in dat visioen.
Ik zag in mijn slaap wat ik nu ga zeggen met een tong van vlees en met de adem van mijn mond, die de Grote aan de mensen gegeven heeft om ermee te spreken en met het hart te begrijpen.
Zoals Hij geschapen heeft en aan de mensen gegeven heeft om het woord van de kennis te begrijpen, zo heeft Hij ook mij geschapen en mij gegeven om de wachters, de zonen van de hemel, terecht te wijzen.
Ik heb jullie verzoekschrift geschreven, en in mijn visioen bleek dat jullie verzoek niet ingewilligd zal worden, al de dagen van de eeuwigheid, en dat het oordeel over jullie onherroepelijk geveld is en niet zal worden ingewilligd.
En van nu af zullen jullie niet meer opklimmen naar de hemel, tot in alle eeuwigheid, en op de aarde is het besluit uitgegaan om jullie te binden, al de dagen van de wereld.
En daarvóór zullen jullie de ondergang van jullie geliefde zonen gezien hebben, en jullie zullen geen plezier aan hen beleven, maar zij zullen voor jullie ogen door het zwaard vallen.
En jullie verzoek voor hen zal niet ingewilligd worden, en voor jezelf ook niet.
En jullie zullen, terwijl jullie huilen en smeken, geen enkel woord kunnen uitspreken uit het boek dat ik geschreven heb.
En jullie zullen, terwijl jullie huilen en smeken, geen enkel woord kunnen uitspreken uit het boek dat ik geschreven heb.
Opgevoerd naar de hemel
En aan mij werd een visioen getoond, zo: kijk, wolken riepen mij in het visioen, en een nevel riep mij, en de loop van de sterren en de bliksemschichten dreven mij op en duwden mij voort, en de winden lieten mij vliegen in het visioen en voerden mij omhoog.
En zij droegen mij naar de hemel, en ik ging naar binnen totdat ik bij een muur kwam die van kristalstenen gebouwd was, en een tong van vuur omringde hem, en die begon mij schrik aan te jagen.
En ik ging de tong van vuur binnen en kwam bij een groot huis dat van kristalstenen gebouwd was.
En de wanden van dat huis waren als een vloer van steentegels, van kristalsteen, en de bodem ervan was kristal.
En de wanden van dat huis waren als een vloer van steentegels, van kristalsteen, en de bodem ervan was kristal.
Het gewelf ervan was als de loop van de sterren en de bliksemschichten, en daartussen waren cherubs van vuur, en hun hemel was water.
En een brandend vuur omringde de wanden, en de deuren ervan laaiden van vuur.
En ik ging dat huis binnen, en het was heet als vuur en koud als ijs.
Er was geen vreugde en geen leven daarin.
Angst overdekte mij en beven greep mij.
Er was geen vreugde en geen leven daarin.
Angst overdekte mij en beven greep mij.
En terwijl ik beefde en huiverde, viel ik op mijn gezicht, en ik zag in een visioen.
Een tweede huis, groter dan dat
En kijk, er was een ander huis, groter dan dat, en heel zijn deur stond voor mij open, en het was gebouwd van tongen van vuur.
En in alles overtrof het dat andere zo in heerlijkheid en eer en grootheid, dat ik jullie zijn heerlijkheid en zijn grootheid niet kan vertellen.
En zijn bodem was vuur, en daarboven waren bliksem en de loop van de sterren, en zijn gewelf was eveneens laaiend vuur.
En ik keek en ik zag daarin een hoge troon.
En zijn aanblik was als kristal, en zijn wielen als de zon die schijnt, en het geluid van cherubs.
En zijn aanblik was als kristal, en zijn wielen als de zon die schijnt, en het geluid van cherubs.
En van onder die grote troon kwamen stromen van laaiend vuur, en je kon er niet naar kijken.
De Grote Heerlijkheid
En de Grote Heerlijkheid zat daarop, en Zijn gewaad was helderder dan de zon en witter dan alle sneeuw.
En geen van de engelen kon binnengaan, en niemand van vlees kon het gezicht van de Geëerde en Verheerlijkte aanzien of Hem zien.
Een laaiend vuur was om Hem heen, en een groot vuur stond voor Hem, en niemand van wie om Hem heen stonden kon bij Hem komen.
Tienduizend maal tienduizend stonden voor Hem, maar Hij had geen raad nodig.
Tienduizend maal tienduizend stonden voor Hem, maar Hij had geen raad nodig.
En de heiligen die bij Hem kwamen, weken niet, nacht en dag, en zij verlieten Hem niet.
En ik lag tot dan toe op mijn gezicht, bedekt en bevend.
En de Heere riep mij met Zijn mond en zei tegen mij: Kom hier, Henoch, en luister naar mijn heilige woord.
En de Heere riep mij met Zijn mond en zei tegen mij: Kom hier, Henoch, en luister naar mijn heilige woord.
En Hij richtte mij op en bracht mij tot aan de deur, maar ik hield mijn gezicht naar beneden gericht.