Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Genesis 24
Een vrouw voor Izak
Abraham stuurt zijn dienaar op reis
Abraham was inmiddels oud en hoogbejaard.
De HEERE had hem in alle opzichten gezegend.
De HEERE had hem in alle opzichten gezegend.
Abraham zei tegen zijn oudste dienaar, die al zijn bezittingen beheerde: Leg je hand onder mijn heup.
Ik laat je zweren bij de HEERE, de God van hemel en aarde.
Kies voor mijn zoon geen vrouw uit de Kanaänitische vrouwen tussen wie ik woon.
Kies voor mijn zoon geen vrouw uit de Kanaänitische vrouwen tussen wie ik woon.
Ga naar mijn eigen land en familie.
Daar moet je een vrouw voor mijn zoon Izak zoeken.
Daar moet je een vrouw voor mijn zoon Izak zoeken.
De dienaar vroeg: Misschien wil die vrouw mij niet naar dit land volgen.
Moet ik uw zoon dan terugbrengen naar het land waaruit u vertrok?
Moet ik uw zoon dan terugbrengen naar het land waaruit u vertrok?
Abraham antwoordde: Zorg ervoor dat je mijn zoon nooit daarheen terugbrengt!
De HEERE, de God van de hemel, haalde mij weg uit mijn vaders huis en mijn geboorteland.
Hij beloofde mij plechtig: Aan jouw nakomelingen zal ik dit land geven.
Hij zal Zijn engel voor je uit sturen.
Daar zul je een vrouw voor mijn zoon vinden.
Hij beloofde mij plechtig: Aan jouw nakomelingen zal ik dit land geven.
Hij zal Zijn engel voor je uit sturen.
Daar zul je een vrouw voor mijn zoon vinden.
Wil de vrouw niet met je meegaan, dan ben je vrij van deze eed aan mij.
Breng mijn zoon alleen nooit daarheen terug.
Breng mijn zoon alleen nooit daarheen terug.
De dienaar legde zijn hand onder de heup van zijn meester Abraham.
Zo zwoer hij dat hij deze opdracht zou uitvoeren.
Zo zwoer hij dat hij deze opdracht zou uitvoeren.
De dienaar bidt bij de bron
De dienaar nam tien kamelen van zijn meester mee en vertrok.
Hij had allerlei bezittingen van zijn meester bij zich.
Hij reisde naar Mesopotamië, naar de stad waar Nahor woonde.
Hij had allerlei bezittingen van zijn meester bij zich.
Hij reisde naar Mesopotamië, naar de stad waar Nahor woonde.
Buiten de stad liet hij de kamelen bij een waterput neerknielen.
Het was avond, de tijd waarop de vrouwen water kwamen halen.
Het was avond, de tijd waarop de vrouwen water kwamen halen.
Toen bad hij: HEERE, God van mijn meester Abraham, laat mij vandaag de juiste vrouw ontmoeten.
Toon zo Uw trouw aan mijn meester Abraham.
Toon zo Uw trouw aan mijn meester Abraham.
Ik sta hier bij de bron.
De meisjes uit de stad komen hier water halen.
De meisjes uit de stad komen hier water halen.
Ik zal tegen een meisje zeggen: Houd je kruik wat lager, zodat ik kan drinken.
Als zij antwoordt: Drink, en ik zal ook uw kamelen water geven, dan is zij degene die U voor Uw dienaar Izak hebt bestemd.
Zo weet ik dat U mijn meester trouw bent geweest.
Als zij antwoordt: Drink, en ik zal ook uw kamelen water geven, dan is zij degene die U voor Uw dienaar Izak hebt bestemd.
Zo weet ik dat U mijn meester trouw bent geweest.
Rebekka geeft de kamelen water
Nog voordat hij uitgesproken was, kwam Rebekka eraan met haar kruik op haar schouder.
Zij was een dochter van Bethuël.
Bethuël was een zoon van Milka en Nahor, de broer van Abraham.
Zij was een dochter van Bethuël.
Bethuël was een zoon van Milka en Nahor, de broer van Abraham.
Het meisje was heel mooi.
Ze was nog maagd en had nooit met een man geslapen.
Ze liep naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer omhoog.
Ze was nog maagd en had nooit met een man geslapen.
Ze liep naar de bron, vulde haar kruik en kwam weer omhoog.
De dienaar liep snel naar haar toe en vroeg: Mag ik alsjeblieft wat water uit je kruik drinken?
Ze antwoordde: Drink maar, meneer.
Ze liet snel haar kruik in haar handen zakken en gaf hem te drinken.
Ze liet snel haar kruik in haar handen zakken en gaf hem te drinken.
Toen hij genoeg had gedronken, zei ze: Ik zal ook water voor uw kamelen putten, totdat ze allemaal genoeg hebben gedronken.
Snel goot ze haar kruik leeg in de drinkbak.
Daarna liep ze steeds terug naar de put en haalde water voor al zijn kamelen.
Daarna liep ze steeds terug naar de put en haalde water voor al zijn kamelen.
De man keek zwijgend en aandachtig naar haar.
Hij wilde weten of de HEERE zijn reis had laten slagen.
Hij wilde weten of de HEERE zijn reis had laten slagen.
Toen de kamelen genoeg hadden gedronken, gaf de man haar een gouden voorhoofdssieraad van ongeveer zes gram.
Ook gaf hij haar twee gouden armbanden van samen ongeveer honderdvijftien gram.
Ook gaf hij haar twee gouden armbanden van samen ongeveer honderdvijftien gram.
Hij vroeg: Van wie ben je een dochter?
Vertel het me alsjeblieft.
Is er in het huis van je vader ruimte waar wij kunnen overnachten?
Vertel het me alsjeblieft.
Is er in het huis van je vader ruimte waar wij kunnen overnachten?
Ze antwoordde: Ik ben een dochter van Bethuël.
Hij is de zoon van Milka en Nahor.
Hij is de zoon van Milka en Nahor.
Ze zei verder: Wij hebben veel stro en voer.
Er is ook ruimte om te overnachten.
Er is ook ruimte om te overnachten.
Toen boog de man zijn hoofd en aanbad de HEERE.
Hij zei: Geprezen is de HEERE, de God van mijn meester Abraham!
Hij is mijn meester trouw en goed gebleven.
De HEERE heeft mij rechtstreeks naar de familie van mijn meester geleid.
Hij is mijn meester trouw en goed gebleven.
De HEERE heeft mij rechtstreeks naar de familie van mijn meester geleid.
Laban ontvangt Abrahams dienaar
Het meisje rende naar het huis van haar moeder en vertelde wat er was gebeurd.
Rebekka had een broer die Laban heette.
Hij rende naar de man bij de bron.
Hij rende naar de man bij de bron.
Hij had het voorhoofdssieraad en de armbanden van zijn zus gezien.
Ook had hij Rebekka horen vertellen wat de man tegen haar zei.
Daarom liep hij naar de man, die nog bij de kamelen en de bron stond.
Ook had hij Rebekka horen vertellen wat de man tegen haar zei.
Daarom liep hij naar de man, die nog bij de kamelen en de bron stond.
Laban zei: Kom binnen, man die door de HEERE gezegend is!
Waarom blijft u buiten staan?
Ik heb het huis klaargemaakt en ook plaats voor de kamelen.
Waarom blijft u buiten staan?
Ik heb het huis klaargemaakt en ook plaats voor de kamelen.
De man ging mee naar het huis.
Laban maakte de kamelen los en gaf ze stro en voer.
Voor de dienaar en zijn mannen bracht hij water om hun voeten te wassen.
Laban maakte de kamelen los en gaf ze stro en voer.
Voor de dienaar en zijn mannen bracht hij water om hun voeten te wassen.
Daarna werd de dienaar eten voorgezet.
Hij zei: Ik eet pas nadat ik heb verteld waarom ik hier ben.
Laban antwoordde: Vertel het maar.
Hij zei: Ik eet pas nadat ik heb verteld waarom ik hier ben.
Laban antwoordde: Vertel het maar.
De dienaar vertelt over zijn opdracht
De dienaar begon: Ik ben een dienaar van Abraham.
De HEERE heeft mijn meester rijk gezegend en machtig gemaakt.
Hij gaf hem schapen, runderen, zilver, goud, dienaren, dienaressen, kamelen en ezels.
Hij gaf hem schapen, runderen, zilver, goud, dienaren, dienaressen, kamelen en ezels.
Sara, de vrouw van mijn meester, kreeg op hoge leeftijd een zoon.
Mijn meester heeft die zoon al zijn bezittingen gegeven.
Mijn meester heeft die zoon al zijn bezittingen gegeven.
Mijn meester liet mij zweren.
Hij zei: Kies voor mijn zoon geen vrouw uit de Kanaänitische vrouwen in wier land ik woon.
Hij zei: Kies voor mijn zoon geen vrouw uit de Kanaänitische vrouwen in wier land ik woon.
Ga naar mijn familie en het huis van mijn vader.
Daar moet je een vrouw voor mijn zoon zoeken.
Daar moet je een vrouw voor mijn zoon zoeken.
Toen vroeg ik mijn meester: Misschien wil die vrouw mij niet volgen.
Mijn meester antwoordde: De HEERE, in wiens nabijheid ik heb geleefd, zal Zijn engel met je meesturen.
Hij zal je reis laten slagen.
Zo kun je voor mijn zoon een vrouw uit mijn familie en mijn vaders huis vinden.
Hij zal je reis laten slagen.
Zo kun je voor mijn zoon een vrouw uit mijn familie en mijn vaders huis vinden.
Je bent pas van mijn eed ontslagen als je naar mijn familie bent gegaan.
Als zij haar niet aan je meegeven, ben je vrij van mijn eed.
Als zij haar niet aan je meegeven, ben je vrij van mijn eed.
Vandaag kwam ik bij de bron en bad: HEERE, God van mijn meester Abraham, laat de reis die ik maak toch slagen.
Ik sta hier bij de bron.
Straks komt een meisje water halen.
Ik zal haar vragen: Geef mij alsjeblieft wat water uit je kruik.
Straks komt een meisje water halen.
Ik zal haar vragen: Geef mij alsjeblieft wat water uit je kruik.
Als zij antwoordt: Drink gerust.
Ik zal ook water voor uw kamelen putten.
Dan is zij de vrouw die de HEERE voor de zoon van mijn meester heeft bestemd.
Ik zal ook water voor uw kamelen putten.
Dan is zij de vrouw die de HEERE voor de zoon van mijn meester heeft bestemd.
Voordat ik in stilte was uitgebeden, kwam Rebekka eraan met haar kruik op haar schouder.
Ze liep naar de bron en haalde water.
Ik vroeg haar: Geef mij alsjeblieft wat te drinken.
Ze liep naar de bron en haalde water.
Ik vroeg haar: Geef mij alsjeblieft wat te drinken.
Ze liet snel haar kruik zakken en zei: Drink gerust.
Ik zal ook uw kamelen water geven.
Ik dronk en zij gaf ook de kamelen water.
Ik zal ook uw kamelen water geven.
Ik dronk en zij gaf ook de kamelen water.
Toen vroeg ik haar: Van wie ben je een dochter?
Zij antwoordde: Mijn vader is Bethuël, de zoon van Nahor en Milka.
Daarna deed ik haar het voorhoofdssieraad om en schoof ik de armbanden om haar polsen.
Zij antwoordde: Mijn vader is Bethuël, de zoon van Nahor en Milka.
Daarna deed ik haar het voorhoofdssieraad om en schoof ik de armbanden om haar polsen.
Toen knielde ik en aanbad de HEERE.
Ik prees de HEERE, de God van mijn meester Abraham.
Hij had mij over de juiste weg geleid om voor zijn zoon een vrouw uit zijn familie te vinden.
Ik prees de HEERE, de God van mijn meester Abraham.
Hij had mij over de juiste weg geleid om voor zijn zoon een vrouw uit zijn familie te vinden.
Vertel mij nu of u mijn meester trouw en goed wilt behandelen.
Zo niet, vertel mij dat ook.
Dan weet ik wat ik verder moet doen.
Zo niet, vertel mij dat ook.
Dan weet ik wat ik verder moet doen.
Rebekka kiest ervoor mee te gaan
Laban en Bethuël antwoordden: Dit komt van de HEERE.
Wij kunnen er niets tegenin brengen.
Wij kunnen er niets tegenin brengen.
Hier is Rebekka.
Neem haar mee.
Laat haar de vrouw worden van de zoon van uw meester, zoals de HEERE heeft bepaald.
Neem haar mee.
Laat haar de vrouw worden van de zoon van uw meester, zoals de HEERE heeft bepaald.
Toen Abrahams dienaar hun antwoord hoorde, boog hij zich diep neer voor de HEERE.
De dienaar haalde zilveren en gouden voorwerpen en mooie kleding tevoorschijn.
Hij gaf ze aan Rebekka.
Ook haar broer en moeder gaf hij kostbare geschenken.
Hij gaf ze aan Rebekka.
Ook haar broer en moeder gaf hij kostbare geschenken.
Daarna aten en dronken de dienaar en zijn mannen.
Ze bleven er overnachten.
De volgende ochtend zei de dienaar: Laat mij teruggaan naar mijn meester.
Ze bleven er overnachten.
De volgende ochtend zei de dienaar: Laat mij teruggaan naar mijn meester.
Rebekka's broer en moeder zeiden: Laat het meisje nog een dag of tien bij ons blijven.
Daarna kan ze vertrekken.
Daarna kan ze vertrekken.
Maar hij antwoordde: Houd me niet langer op.
De HEERE heeft mijn reis laten slagen.
Laat mij teruggaan naar mijn meester.
De HEERE heeft mijn reis laten slagen.
Laat mij teruggaan naar mijn meester.
Zij zeiden: Laten we het meisje roepen en haar zelf vragen wat ze wil.
Ze riepen Rebekka en vroegen: Wil je met deze man meegaan?
Ze antwoordde: Ja, ik ga mee.
Ze antwoordde: Ja, ik ga mee.
Toen stuurden ze Rebekka op weg, samen met haar verzorgster.
Ook Abrahams dienaar en zijn mannen lieten ze vertrekken.
Ook Abrahams dienaar en zijn mannen lieten ze vertrekken.
Ze zegenden Rebekka met de woorden: Onze zus, mogen er ontelbaar veel mensen van jou afstammen!
Mogen jouw nakomelingen de steden van hun vijanden veroveren.
Mogen jouw nakomelingen de steden van hun vijanden veroveren.
Izak en Rebekka ontmoeten elkaar
Rebekka vertrok met haar dienaressen.
Ze reden op kamelen en volgden de man.
Zo nam Abrahams dienaar Rebekka mee en vertrok.
Ze reden op kamelen en volgden de man.
Zo nam Abrahams dienaar Rebekka mee en vertrok.
Izak was teruggekomen uit de omgeving van de bron Lachai-Roï.
Hij woonde in het zuiden van Kanaän.
Hij woonde in het zuiden van Kanaän.
Tegen de avond ging Izak het veld in om te bidden.
Toen hij opkeek, zag hij kamelen aankomen.
Toen hij opkeek, zag hij kamelen aankomen.
Ook Rebekka keek op.
Toen ze Izak zag, stapte ze snel van haar kameel.
Toen ze Izak zag, stapte ze snel van haar kameel.
Ze vroeg aan de dienaar: Wie is die man die ons door het veld tegemoetkomt?
De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester.
Toen pakte ze haar sluier en bedekte haar gezicht.
De dienaar antwoordde: Dat is mijn meester.
Toen pakte ze haar sluier en bedekte haar gezicht.
De dienaar vertelde Izak alles wat hij had gedaan.
Izak bracht Rebekka naar de tent van zijn moeder Sara en trouwde met haar.
Hij hield van haar.
Zo vond hij troost na de dood van zijn moeder.
Hij hield van haar.
Zo vond hij troost na de dood van zijn moeder.