Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Genesis 21
De geboorte van Izak en Gods zorg voor Ismaël
De geboorte van Izak
De HEERE zag naar Sara om zoals Hij had gezegd.
Hij deed voor haar wat Hij had beloofd.
Hij deed voor haar wat Hij had beloofd.
Sara werd zwanger en kreeg voor Abraham een zoon toen hij oud was.
Het gebeurde precies op het tijdstip dat God had genoemd.
Het gebeurde precies op het tijdstip dat God had genoemd.
Abraham noemde de zoon die Sara hem had gebaard Izak.
Toen Izak acht dagen oud was, besneed Abraham hem, zoals God hem had opgedragen.
Abraham was honderd jaar oud toen zijn zoon Izak werd geboren.
Sara zei: God heeft mij laten lachen.
Iedereen die dit hoort, zal met mij lachen.
Iedereen die dit hoort, zal met mij lachen.
Ze zei ook: Wie had ooit tegen Abraham durven zeggen dat Sara kinderen zou voeden?
Toch heb ik hem op hoge leeftijd een zoon gebaard.
Toch heb ik hem op hoge leeftijd een zoon gebaard.
Hagar en Ismaël moeten vertrekken
Izak groeide en kreeg geen borstvoeding meer.
Op die dag gaf Abraham een groot feest.
Op die dag gaf Abraham een groot feest.
Sara zag dat de zoon die de Egyptische Hagar voor Abraham had gekregen, aan het spotten was.
Toen zei zij tegen Abraham: Jaag deze slavin en haar zoon weg.
De zoon van deze slavin mag niet samen met mijn zoon Izak erven.
De zoon van deze slavin mag niet samen met mijn zoon Izak erven.
Abraham vond dit heel erg, omdat het om zijn zoon ging.
God zei tegen Abraham: Maak je niet zo bezorgd over de jongen en je slavin.
Luister naar alles wat Sara tegen je zegt.
Want de nakomelingen van Izak zullen als jouw nageslacht gelden.
Luister naar alles wat Sara tegen je zegt.
Want de nakomelingen van Izak zullen als jouw nageslacht gelden.
Maar ook de zoon van de slavin zal ik tot een volk maken, omdat hij jouw zoon is.
God zorgt voor Hagar en Ismaël
De volgende morgen stond Abraham vroeg op.
Hij gaf Hagar brood en een leren waterzak, die hij op haar schouder legde.
Ook gaf hij haar de jongen mee en stuurde haar weg.
Zij vertrok en dwaalde rond in de woestijn van Berseba.
Hij gaf Hagar brood en een leren waterzak, die hij op haar schouder legde.
Ook gaf hij haar de jongen mee en stuurde haar weg.
Zij vertrok en dwaalde rond in de woestijn van Berseba.
Toen het water in de zak op was, legde Hagar de jongen onder een struik.
Zelf ging ze op een boogschot afstand tegenover hem zitten.
Ze dacht: Ik kan niet aanzien hoe mijn kind sterft.
Terwijl ze daar zat, begon ze luid te huilen.
Ze dacht: Ik kan niet aanzien hoe mijn kind sterft.
Terwijl ze daar zat, begon ze luid te huilen.
God hoorde de stem van de jongen.
Vanuit de hemel riep de engel van God Hagar toe: Hagar, wat is er?
Wees niet bang.
God heeft de jongen gehoord op de plek waar hij ligt.
Vanuit de hemel riep de engel van God Hagar toe: Hagar, wat is er?
Wees niet bang.
God heeft de jongen gehoord op de plek waar hij ligt.
Sta op, help de jongen overeind en houd hem goed vast.
Ik zal van hem een groot volk maken.
Ik zal van hem een groot volk maken.
Toen opende God haar ogen, zodat ze een waterput zag.
Ze vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken.
Ze vulde de waterzak en gaf de jongen te drinken.
God was met de jongen.
Hij groeide op in de woestijn en werd een boogschutter.
Hij groeide op in de woestijn en werd een boogschutter.
Hij woonde in de woestijn van Paran.
Zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte.
Zijn moeder koos voor hem een vrouw uit Egypte.
Abimelech vraagt om trouw
In die tijd kwamen Abimelech en zijn legeraanvoerder Pichol bij Abraham.
Abimelech zei: God is met je bij alles wat je doet.
Abimelech zei: God is met je bij alles wat je doet.
Zweer mij daarom hier bij God dat je mij, mijn kinderen en mijn nakomelingen niet zult bedriegen.
Behandel mij en het land waar je als vreemdeling woont net zo goed als ik jou heb behandeld.
Behandel mij en het land waar je als vreemdeling woont net zo goed als ik jou heb behandeld.
Abraham antwoordde: Ik zweer het.
De waterput van Abraham
Daarna sprak Abraham Abimelech aan over een waterput die Abimelechs dienaren met geweld hadden ingenomen.
Abimelech zei: Ik weet niet wie dit heeft gedaan.
Jij hebt het mij niet verteld en ik hoorde er pas vandaag over.
Jij hebt het mij niet verteld en ik hoorde er pas vandaag over.
Toen gaf Abraham schapen en runderen aan Abimelech.
Zo sloten zij samen een verbond.
Zo sloten zij samen een verbond.
Abraham zette zeven jonge ooien apart van de kudde.
Abimelech vroeg aan Abraham: Waarom heb je deze zeven jonge ooien apart gezet?
Abraham antwoordde: Neem deze zeven jonge ooien van mij aan.
Dan dienen ze als bewijs dat ik deze put heb gegraven.
Dan dienen ze als bewijs dat ik deze put heb gegraven.
Daarom noemde men die plaats Berseba, want daar hadden zij allebei een eed gezworen.
Abraham blijft in het land van de Filistijnen
Zo sloten zij in Berseba een verbond.
Daarna vertrokken Abimelech en zijn legeraanvoerder Pichol en gingen terug naar het land van de Filistijnen.
Daarna vertrokken Abimelech en zijn legeraanvoerder Pichol en gingen terug naar het land van de Filistijnen.
Abraham plantte in Berseba een bos.
Daar aanbad hij de HEERE, de eeuwige God.
Daar aanbad hij de HEERE, de eeuwige God.
Abraham woonde nog lange tijd als vreemdeling in het land van de Filistijnen.