Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Ezra 4

De bouw wordt tegengewerkt

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Een aanbod dat wordt afgewezen
De tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de teruggekeerde ballingen een tempel bouwden voor de HEERE, de God van Israël.
Zij kwamen naar Zerubbabel en de familiehoofden toe en zeiden: Laat ons met u meebouwen, want wij zoeken uw God net als u.
Wij offeren Hem al sinds de dagen van Esar-Haddon, de koning van Assur, die ons hierheen heeft gebracht.

Maar Zerubbabel, Jesua en de andere familiehoofden van Israël zeiden tegen hen: Het past niet dat u met ons een huis voor onze God bouwt.
Wij alleen zullen bouwen voor de HEERE, de God van Israël, zoals koning Kores van Perzië ons bevolen heeft.

Toen ontmoedigde het volk van het land de mensen van Juda en maakte hen bang om te bouwen.
Zij huurden raadgevers in om hun plannen te dwarsbomen.
Dat deden zij zolang Kores, de koning van Perzië, regeerde, tot in de regering van Darius, de koning van Perzië.
De brief aan Arthahsasta
Aan het begin van de regering van Ahasveros schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.
In de dagen van Arthahsasta schreven Bislam, Mithredath, Tabeël en de anderen van hun groep aan Arthahsasta, de koning van Perzië.
De brief was in het Aramees geschreven en werd ook zo vertaald.
Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, schreven de volgende brief tegen Jeruzalem aan koning Arthahsasta.
De afzenders waren Rehum, de kanselier, Simsai, de schrijver, en de anderen van hun groep.
Dat waren de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten en de Afarsieten.
Verder de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten en de Elamieten.
Ook de andere volken schreven mee.
De grote en beroemde Asnappar had hen weggevoerd en in de stad Samaria laten wonen.
Verder schreven de anderen aan deze kant van de rivier mee.
Dit is het afschrift van de brief die zij aan koning Arthahsasta stuurden: Uw dienaren, de mannen aan deze kant van de rivier.
De koning moet weten dat de Joden die bij u vandaan kwamen, bij ons in Jeruzalem zijn aangekomen.
Zij bouwen die opstandige en slechte stad weer op.
Zij maken de muren af en herstellen de fundamenten.

De koning moet ook weten wat er gebeurt als die stad opgebouwd is en de muren klaar zijn.
Dan betalen zij geen belasting, accijns of tol meer, en dat kost de koningen inkomsten.

Wij worden uit het paleis betaald, en het past ons niet toe te zien hoe de koning oneer wordt aangedaan.
Daarom sturen wij dit bericht om de koning op de hoogte te brengen.

Laat men zoeken in het boek van de kronieken van uw voorouders.
Dan zult u in dat boek vinden dat deze stad opstandig was en schade toebracht aan koningen en gewesten.
Al van oudsher hebben zij daar opstand gesticht.
Daarom is die stad verwoest.

Wij laten de koning dus weten wat er gebeurt als die stad opgebouwd wordt.
Zijn de muren eenmaal klaar, dan houdt u niets meer over aan deze kant van de rivier.

Het antwoord van de koning
De koning stuurde dit antwoord aan Rehum, de kanselier, aan Simsai, de schrijver, en aan de anderen van hun groep die in Samaria woonden.
Ook de anderen aan deze kant van de rivier kregen het: Vrede.
De brief die u ons gestuurd hebt, is mij duidelijk voorgelezen.
Op mijn bevel is er gezocht, en men heeft gevonden dat deze stad zich van oudsher tegen de koningen verzet heeft.
Er is daar opstand en afval geweest.

Er zijn ook machtige koningen over Jeruzalem geweest, die heersten over het hele gebied aan de overkant van de rivier.
Aan hen werd belasting, accijns en tol betaald.

Geef nu bevel die mannen tegen te houden.
Die stad mag niet opgebouwd worden, tot ik daar bevel toe geef.

Pas op dat u hierin geen fout maakt.
Waarom zou de schade voor de koningen groter worden?

Het afschrift van de brief van koning Arthahsasta werd aan Rehum, Simsai, de schrijver, en hun groep voorgelezen.
Toen gingen zij haastig naar de Joden in Jeruzalem.
Met geweld en macht hielden zij hen tegen.
Toen kwam het werk aan het huis van God in Jeruzalem stil te liggen.
Het lag stil tot in het tweede jaar van de regering van Darius, de koning van Perzië.

Download hoofdstuk als tekstbestand