Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV
Oude Testament
Ezra 3
Het altaar en het fundament van de tempel
Het altaar wordt gebouwd
Toen de zevende maand aanbrak en de Israëlieten in hun steden woonden, kwam het volk als één man bijeen in Jeruzalem.
Jesua, de zoon van Jozadak, stond op met zijn broers, de priesters.
Ook Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, stond op met zijn broers.
Zij bouwden het altaar van de God van Israël om er brandoffers op te brengen.
Zo staat het in de wet van Mozes, de man van God.
Ook Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, stond op met zijn broers.
Zij bouwden het altaar van de God van Israël om er brandoffers op te brengen.
Zo staat het in de wet van Mozes, de man van God.
Zij zetten het altaar op zijn fundament, al waren zij bang voor de volken om hen heen.
Zij brachten er brandoffers voor de HEERE op, 's morgens en 's avonds.
Zij brachten er brandoffers voor de HEERE op, 's morgens en 's avonds.
Zij vierden het Loofhuttenfeest zoals het voorgeschreven is.
Elke dag brachten zij het vastgestelde aantal brandoffers, zoals het voor die dag hoorde.
Elke dag brachten zij het vastgestelde aantal brandoffers, zoals het voor die dag hoorde.
Daarna brachten zij het dagelijkse brandoffer, en die van de nieuwemaansdagen en van alle heilige feesten van de HEERE.
Ook bracht ieder die dat wilde een vrijwillige gave aan de HEERE.
Ook bracht ieder die dat wilde een vrijwillige gave aan de HEERE.
Vanaf de eerste dag van de zevende maand begonnen zij de HEERE brandoffers te brengen.
De tempel van de HEERE was toen nog niet gegrondvest.
De tempel van de HEERE was toen nog niet gegrondvest.
Zij gaven geld aan de steenhouwers en de vaklieden.
Ook gaven zij eten, drinken en olie aan de mensen van Sidon en Tyrus.
Die moesten cederhout van de Libanon over zee naar Jafo brengen, met vergunning van Kores, de koning van Perzië.
Ook gaven zij eten, drinken en olie aan de mensen van Sidon en Tyrus.
Die moesten cederhout van de Libanon over zee naar Jafo brengen, met vergunning van Kores, de koning van Perzië.
Het fundament van de tempel
In het tweede jaar na hun komst bij het huis van God in Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen zij.
Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, gingen voorop.
Met hen waren hun broers, de priesters, de Levieten en alle teruggekeerde ballingen.
Zij stelden de Levieten van twintig jaar en ouder aan om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.
Zerubbabel, de zoon van Sealthiël, en Jesua, de zoon van Jozadak, gingen voorop.
Met hen waren hun broers, de priesters, de Levieten en alle teruggekeerde ballingen.
Zij stelden de Levieten van twintig jaar en ouder aan om toezicht te houden op het werk aan het huis van de HEERE.
Jesua stond op met zijn zonen en broers, en Kadmiël met zijn zonen, de mensen van Juda, als één man.
Zij hielden toezicht op wie aan het huis van God werkten.
Ook de zonen van Henadad hielpen, met hun zonen en broers, de Levieten.
Zij hielden toezicht op wie aan het huis van God werkten.
Ook de zonen van Henadad hielpen, met hun zonen en broers, de Levieten.
Toen de bouwers het fundament van de tempel van de HEERE legden, stelden zij de priesters op in hun kleding, met de trompetten.
De Levieten, de zonen van Asaf, kwamen met cimbalen om de HEERE te prijzen, zoals David, de koning van Israël, het had ingesteld.
De Levieten, de zonen van Asaf, kwamen met cimbalen om de HEERE te prijzen, zoals David, de koning van Israël, het had ingesteld.
Zij zongen om de beurt en prezen en dankten de HEERE: Hij is goed, zijn trouw voor Israël duurt voor altijd.
Heel het volk juichte luid, omdat het huis van de HEERE gegrondvest werd.
Heel het volk juichte luid, omdat het huis van de HEERE gegrondvest werd.
Maar veel oude priesters, Levieten en familiehoofden die het eerste huis gezien hadden, huilden luid toen zij het fundament van dit huis zagen.
Anderen juichten juist luid van vreugde.
Anderen juichten juist luid van vreugde.
Het volk kon het gejuich van vreugde niet onderscheiden van het huilen van het volk.
Het volk juichte zo luid dat het tot in de verte te horen was.
Het volk juichte zo luid dat het tot in de verte te horen was.