Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Ezechiël 18

Wie zondigt, zal sterven

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 6 minuten
Het spreekwoord over de onrijpe druiven
Verder kwam het woord van de HEERE tot mij.
Waarom gebruiken jullie dit spreekwoord over het land van Israël: de vaders aten onrijpe druiven en de tanden van de kinderen werden stroef?
Zo waar ik leef, zegt de Heere HEERE: jullie zullen dit spreekwoord in Israël niet meer gebruiken.
Kijk, alle mensen zijn van mij.
De vader en de zoon zijn allebei van mij.
Wie zondigt, die zal sterven.

Stel dat iemand rechtvaardig is en doet wat recht en goed is.
Hij eet niet op de bergen en kijkt niet op naar de afgoden van het volk van Israël.
Hij onteert de vrouw van zijn naaste niet en komt niet bij een vrouw die ongesteld is.

Hij onderdrukt niemand.
Hij geeft de schuldenaar zijn onderpand terug.
Hij rooft niets.
Hij geeft de hongerige zijn brood en bedekt de naakte met kleding.

Hij leent niet uit tegen rente en vraagt geen woekerwinst.
Hij houdt zijn hand van onrecht af en spreekt eerlijk recht tussen twee mensen.

Hij leeft naar mijn wetten en houdt mijn regels trouw.
Zo iemand is rechtvaardig en zal zeker leven, zegt de Heere HEERE.

Stel dat hij een zoon krijgt die een rover is en bloed vergiet, en die een van deze dingen doet.
Hij doet niets van al het goede.
Hij eet wel op de bergen en onteert de vrouw van zijn naaste.

Hij onderdrukt de arme en de behoeftige en rooft veel.
Hij geeft het onderpand niet terug.
Hij kijkt op naar de afgoden en doet gruwelijke dingen.

Hij leent uit tegen rente en vraagt woekerwinst.
Zou die dan leven?
Hij zal niet leven.
Al deze gruwelen heeft hij gedaan; hij zal zeker gedood worden.
Zijn bloed komt op hemzelf neer.

De zoon draagt de schuld van de vader niet
Stel nu dat hij een zoon krijgt die alle zonden van zijn vader ziet.
Hij ziet ze en doet zulke dingen niet.

Hij eet niet op de bergen en kijkt niet op naar de afgoden van het volk van Israël.
Hij onteert de vrouw van zijn naaste niet.

Hij onderdrukt niemand.
Hij houdt geen onderpand en rooft niets.
Hij geeft de hongerige zijn brood en bedekt de naakte met kleding.

Hij houdt zijn hand af van de arme.
Hij neemt geen rente en geen woekerwinst.
Hij houdt mijn regels en leeft naar mijn wetten.
Hij zal niet sterven om de schuld van zijn vader; hij zal zeker leven.

Zijn vader heeft mensen zwaar onderdrukt en zijn naaste beroofd.
Hij deed wat niet goed was te midden van zijn volk.
Kijk, daarom zal hij sterven om zijn eigen schuld.

Maar jullie zeggen: waarom draagt de zoon de schuld van de vader niet?
De zoon heeft toch recht en gerechtigheid gedaan.
Hij hield al mijn wetten en deed ze.
Daarom zal hij zeker leven.

Wie zondigt, die zal sterven.
De zoon draagt de schuld van de vader niet en de vader draagt de schuld van de zoon niet.
De rechtvaardigheid van de rechtvaardige komt op hemzelf neer en de goddeloosheid van de goddeloze ook.

Maar stel dat de goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij gedaan heeft.
Hij houdt al mijn wetten en doet recht en gerechtigheid.
Dan zal hij zeker leven.
Hij zal niet sterven.

Geen van zijn overtredingen zal hem nog aangerekend worden.
Door de gerechtigheid die hij gedaan heeft, zal hij leven.

Zou ik het fijn vinden als de goddeloze sterft, zegt de Heere HEERE?
Ik wil toch juist dat hij zich van zijn wegen bekeert en leeft?

Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, en alle gruwelen doet die de goddeloze doet, zou die dan leven?
Al zijn gerechtigheid zal hem niet meer aangerekend worden.
Hij zal sterven om zijn trouwbreuk en om de zonde die hij gedaan heeft.

Bekeer je en leef
Toch zeggen jullie: de weg van de HEERE is niet eerlijk.
Hoor toch, volk van Israël: is mijn weg niet eerlijk?
Zijn niet juist jullie wegen oneerlijk?

Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet en daardoor sterft, dan sterft hij om het onrecht dat hij gedaan heeft.
Maar als de goddeloze zich bekeert van de goddeloosheid die hij gedaan heeft, en recht en gerechtigheid doet, dan zal hij in leven blijven.
Hij ziet het in en bekeert zich van alle overtredingen die hij gedaan heeft.
Daarom zal hij zeker leven en niet sterven.

Toch zegt het volk van Israël: de weg van de HEERE is niet eerlijk.
Zouden mijn wegen niet eerlijk zijn, volk van Israël?
Zijn niet juist jullie wegen oneerlijk?

Daarom zal ik jullie oordelen, volk van Israël, ieder naar zijn eigen wegen, zegt de Heere HEERE.
Kom terug en bekeer je van al je overtredingen.
Dan zal je schuld je niet laten struikelen.

Gooi al je overtredingen van je af, waarmee je overtreden hebt.
Maak jezelf een nieuw hart en een nieuwe geest.
Want waarom zouden jullie sterven, volk van Israël?

Want ik vind het niet fijn als iemand sterft, zegt de Heere HEERE.
Bekeer je dus en leef.

Download hoofdstuk als tekstbestand