Direct naar de inhoud

Nr
Origineel 1637
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
SV 1637
KT 1637
SV 1888
KT 1888
OV
OSV KT
Hebr/Grieks/Aram/Lat/Ge'ez
Verschillen SV-OV
Verschillen KT SV-OSV

Oude Testament

Exodus 36

De bouw van de tabernakel begint

ProeftekstGods Woord in begrijpelijke taal · ongeveer 5 minuten
Er is meer dan genoeg materiaal
Bezaleël, Aholiab en alle andere vakmensen gingen aan het werk.
De HEERE had hun wijsheid en inzicht gegeven, zodat zij wisten hoe ze al het werk voor de dienst in het heiligdom moesten uitvoeren.
Zij deden alles zoals de HEERE had bevolen.
Mozes riep Bezaleël, Aholiab en alle andere vakmensen bij zich.
God had hun wijsheid gegeven.
Iedereen die vanuit zijn hart wilde meewerken, begon aan het werk.
Zij namen van Mozes alle offerbijdragen aan die de Israëlieten voor het werk aan het heiligdom hadden gebracht.
Toch bleven de Israëlieten elke ochtend vrijwillige gaven naar Mozes brengen.
Daarom onderbraken alle vakmensen hun werk aan het heiligdom en gingen zij naar Mozes.
Zij zeiden tegen Mozes: Het volk brengt meer dan genoeg voor het werk dat de HEERE heeft opgedragen.
Toen liet Mozes in het hele kamp omroepen: Geen man of vrouw mag nog materialen klaarmaken als offerbijdrage voor het heiligdom!
Zo werd het volk ervan weerhouden nog meer te brengen.
Er was genoeg materiaal voor al het werk dat gedaan moest worden.
Er was zelfs materiaal over.
De gordijnen van de tabernakel
Alle vakmensen maakten de tabernakel van tien gordijnen van fijn getwijnd linnen, blauw, purper en scharlaken.
Zij verwerkten er cherubs in en maakten die zeer kunstig.
Elk gordijn was ongeveer 12,5 meter lang en 1,8 meter breed.
Alle gordijnen hadden dezelfde afmetingen.
Hij verbond vijf gordijnen met elkaar.
De andere vijf gordijnen verbond hij ook met elkaar.
Daarna maakte hij blauwe lussen aan de rand van het laatste gordijn van de eerste reeks.
Dat deed hij ook bij de tweede reeks.
Hij maakte vijftig lussen aan het laatste gordijn van elke reeks.
De lussen lagen precies tegenover elkaar.
Hij maakte vijftig gouden haken en verbond daarmee de twee reeksen gordijnen.
Zo werd het één tabernakel.
De tentkleden en dekkleden
Verder maakte hij elf gordijnen van geitenhaar als tentkleed over de tabernakel.
Elk van de elf gordijnen was ongeveer 13,5 meter lang en 1,8 meter breed.
Alle elf hadden dezelfde afmetingen.
Hij verbond vijf gordijnen tot één reeks en de andere zes tot een tweede reeks.
Hij maakte vijftig lussen aan de rand van het laatste gordijn van de ene reeks.
Ook maakte hij vijftig lussen aan de rand van de andere reeks.
Hij maakte ook vijftig koperen haken om de twee delen van de tent te verbinden.
Zo werd de tent één geheel.
Voor de tent maakte hij een dekkleed van roodgeverfde ramsvellen.
Daarover kwam een dekkleed van dassenvellen.
De planken en voetstukken
Voor de tabernakel maakte hij rechtopstaande planken van acaciahout.
Elke plank was ongeveer 4,5 meter lang en 70 centimeter breed.
Elke plank had twee verbindingspennen die naast elkaar stonden als sporten van een ladder.
Zo maakte hij alle planken van de tabernakel.
Voor de zuidkant van de tabernakel maakte hij twintig planken.
Onder de twintig planken maakte hij veertig zilveren voetstukken.
Onder elke plank kwamen twee voetstukken, één voor elke verbindingspen.
Aan de andere kant van de tabernakel, de noordkant, maakte hij ook twintig planken.
Daaronder kwamen veertig zilveren voetstukken: twee onder elke plank.
Voor de achterkant van de tabernakel, aan de westkant, maakte hij zes planken.
Ook maakte hij twee planken voor de beide achterhoeken van de tabernakel.
Elke hoekplank zat onderaan zowel aan de zijwand als aan de achterwand vast.
Bovenaan was hij op dezelfde manier met één ring verbonden.
Zo maakte hij beide hoekplanken.
Zo waren er aan de achterkant acht planken met zestien zilveren voetstukken: twee onder elke plank.
De dwarsbalken
Hij maakte dwarsbalken van acaciahout: vijf voor de planken aan de ene zijkant van de tabernakel.
Ook maakte hij vijf dwarsbalken voor de andere zijkant en vijf voor de achterkant, aan de westkant.
De middelste dwarsbalk liet hij halverwege de planken van het ene uiteinde tot het andere doorlopen.
Hij bekleedde de planken met goud.
De ringen die de dwarsbalken vasthielden, maakte hij van goud.
Ook de dwarsbalken bekleedde hij met goud.
Het voorhangsel en het ingangsgordijn
Daarna maakte hij een voorhangsel van blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen.
Hij verwerkte er zeer kunstig cherubs in.
Voor dit voorhangsel maakte hij vier pilaren van acaciahout en bekleedde ze met goud.
De haken waren van goud en de vier voetstukken van zilver.
Voor de ingang van de tent maakte hij een gordijn van blauw, purper, scharlaken en fijn getwijnd linnen, met borduurwerk.
Hij maakte de vijf pilaren en hun haken.
Hij bekleedde de bovenkanten en verbindingsbanden met goud.
De vijf voetstukken waren van koper.

Download hoofdstuk als tekstbestand